Evert Jan Ouweneel

Er zijn weinig uitspraken zo vaak verkeerd geciteerd als Fukuyama’s stelling dat het “einde van de geschiedenis” is bereikt. Volgens Francis Fukuyama (*1952) heeft de twintigste eeuw, met name de ondergang van het communisme, uitgewezen dat er niets beters te verzinnen valt dan de liberale (niet-socialistische) democratie. Onze zoektocht naar de beste staatsvorm is daarmee beëindigd. Zeker is de liberale democratie geen ideaal systeem. Maar van alle denkbare staatsvormen doet zij het meeste recht aan de vrijheids- en erkenningsbehoefte van de mens. Het is, zogezegd, de minst beroerde staatsvorm. Of in de woorden van Winston Churchill: “de slechtst denkbare regeringsvorm - afgezien van alle andere die tot nu toe zijn uitgeprobeerd”.

Al in de zomer van 1989, dus vóór de val van de Muur, lanceerde hij zijn stelling in het essay The End of History. In 1992 verscheen een uitgebreide verdediging van deze stelling in het gelijknamige boek. Het maakte Fukuyama in één klap wereldberoemd. De roem ging echter al snel vergezeld van hardnekkige misverstanden over wat de Japanse Amerikaan nu eigenlijk wilde zeggen. Al bijna twintig jaar is er altijd wel iemand die bij een nieuw conflict badinerend opmerkt dat Fukuyama er toch wel erg ver naast zat met zijn uitspraak dat het einde van de geschiedenis zou zijn bereikt. Maar Fukuyama heeft nooit willen beweren dat de geschiedenis van oorlogen en conflicten ten einde is. Het ging hem alleen om de ideologische geschiedenis.

Inmiddels kunnen we zeggen dat het boek van Fukuyama de storm heeft overleeft en nog altijd als een standaardwerk over het postcommunistische tijdperk geldt. Maar kunnen wij ook zeggen dat hij na twintig jaar nog altijd gelijk heeft? Is de liberale democratie nog altijd onverkort de beste staatsvorm of worden wij door nieuwe ontwikkelingen toch weer de ideologische geschiedenis ingesleurd? Een goed moment om, twintig jaar na de Val van de Muur, terug te blikken en de balans op te maken.

Sterke en zwakke staten: is hiërarchie het echte einde?

Na de Val van de Muur in 1989 en na de val van de Sovjet-Unie in 1991 hadden de liberale democratieën in de wereld het (tijdelijk) voor het zeggen. De weg lag open naar een wereld waarin alle mensen gelijkelijk worden behandeld en gerespecteerd. Geen staat verwijst immers zo graag naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als een liberale democratie. Voortaan zou het niet meer hoeven uit te maken of een land groot of klein, arm of rijk, zwak of machtig, blank of zwart, christelijk of islamitisch is, want alle bewoners zijn mensen en verdienen dus dezelfde respectvolle behandeling.

Terugblikkend op de afgelopen twintig jaar blijkt er weinig van deze mooie verwachting te zijn uitgekomen. De meest liberale democratieën in deze wereld hebben nauwelijks iets laten zien van hun officiële bereidheid alle mensen op aarde gelijk te respecteren en te behandelen. Veeleer hielden zij zich aan de volgende ‘regels’:

1)De mate van hulp aan mensen in nood hangt af van hun economische waarde. – Democratieën reageerden de afgelopen twintig jaar niet zozeer op directe nood, maar vooral op de mate waarin de eigen welvaart werd bedreigd. Zo snel als er werd gereageerd op de Iraakse verovering van het oliestaatje Koeweit, zo traag werd er gereageerd op de genocide in Rwanda.

2)Macht is niet iets dat je deelt met anderen, maar dat je zorgvuldig consolideert zodra je het hebt. – In de Verenigde Naties ligt de macht niet bij de Algemene Vergadering maar bij de Veiligheidsraad. En dat orgaan wordt nog altijd gerund door degenen die in 1945 de oorlog wonnen: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Rusland, Frankrijk en China. Alleen zij hebben een vaste zetel en vetorecht. Vier andere landen (Brazilië, Duitsland, India en Japan) hebben aangegeven ook een permanente zetel te willen, maar daar voelt de Grote Vijf weinig voor. En dus kan Engeland met 50 miljoen inwoners wel een veto uitspreken en India met één miljard zielen niet.

3)Voor het consumptiegedrag in de wereld geldt: wie betaalt bepaalt. – De lekkerste delen van de nijlbaars uit het Afrikaanse Victoriameer worden regelrecht naar Europa gevlogen; de graat wordt in gefrituurde staat verorberd door de plaatselijke bevolking. Tegelijk vissen bodemtrawlers van rijke landen de zeeën rond Afrika leeg. De plaatselijke bevolking lijdt daardoor honger en vaart met wankele bootjes naar Europa of geeft zich over aan piraterij.

Terugkijkend op twintig jaar van dit soort praktijken doemt de vraag op: geloven wij eigenlijk wel in de gedachte dat “alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren”? De Verklaring lijkt vooral bedoeld voor intern gebruik in welvarende democratieën. Want op het wereldtoneel gaan wij wel degelijk uit van een hiërarchische pikorde, waarbij machtiger staten voorrang hebben op zwakkere staten, en rijke mensen voorrang hebben op arme mensen. Wat heeft de ideologie die wij met de mond belijden nog te betekenen, als wij met de voeten de tegenovergestelde weg bewandelen? Misschien moeten we gewoon maar erkennen dat het ware einde van de ideologische geschiedenis er heel anders uitziet dan door Fukuyama beschreven. Het echte einde is de ‘ideologie van de voeten’, en die luidt dat ook de meest democratische landen wel degelijk liever in een wereld van winners en losers leven dan in een wereld van mensen met gelijke rechten en waardigheid.

Deskundigen aan de macht: is technocratie het echte einde?

Nog een punt: onze samenleving wordt steeds complexer, niet alleen doordat alles steeds meer met elkaar verweven raakt, maar ook doordat wij over steeds meer kennis en kunde beschikken. Het gevolg is dat niemand nog in z’n eentje het geheel kan overzien en vele specialisten moeten worden ingezet om greep te krijgen op de grote kwesties van vandaag.

Op zich is dat verschijnsel natuurlijk niet nieuw. Al vijfhonderd jaar wordt de westerse samenleving almaar ingewikkelder en zijn er steeds meer specialisten nodig. Toch zag het er tot en met de industriële tijd nog betrekkelijk overzichtelijk uit. Mensen hielden er een heldere ideologie op na waarmee zij de werkelijkheid konden filteren en categoriseren en tot heldere oordelen konden komen. En ook het productieproces of de dienstverlening was in veel gevallen betrekkelijk overzichtelijk, zodat er een heldere rolverdeling bestond tussen de ‘chef’ die wist wat er gedaan moest worden en de arbeider die deed wat er gedaan moest worden.

De afgelopen decennia, met name sinds 1989, is dat allemaal razendsnel veranderd. Het moderne werd in korte tijd postmodern en het industriële werd postindustrieel. Bij het postmoderne denk ik dan niet zozeer aan een filosofische stroming die alles relativeert wat eerder werd verabsoluteert, maar vooral aan het praktische besef hoe weinig wij individuen eigenlijk nog kunnen weten in deze complexe samenleving. Een belangrijke reden voor de ondergang van de oude ideologieën is, dat zij niet opgewassen bleken tegen de complexiteit en veelzijdigheid van de werkelijkheid. Dat verduidelijkt ook waarom het zo lastig is met een nieuwe ideologie op de proppen te komen. Het hele idee van een Groot Verhaal, dat wil zeggen van een handzaam gereedschapskistje met filters en categorieën ter beoordeling van de werkelijkheid, heeft zijn geloofwaardigheid verloren.

Tegelijkertijd leven wij inmiddels in een postindustriële samenleving waarin veel werk zó ingewikkeld en specialistisch is geworden, dat zelfs de manager niet meer kan volgen waar al zijn ondergeschikten precies mee bezig zijn. De afgelopen twintig jaar deden zich dan ook grote veranderingen voor in het denken over leiderschap. Het autoritaire één-weet-alles bleek in veel gevallen averechts te werken en moest vervangen worden door het egalitaire ieder-weet-iets.

Maar als dat de nieuwe postmoderne en postindustriële werkelijkheid is, wat blijft er dan nog over van onze liberale democratie? De hele gedachte van een liberale democratie is immers dat individuele burgers zélf een oordeel vellen over de grote kwesties in onze samenleving. Zijn zij nog wel daartoe in staat? Natuurlijk hebben de partijen waarop zij kunnen stemmen al een hoop specialistisch voorwerk gedaan, zodat de burgers niet alles zelf hoeven uit te vogelen en aan kunnen sluiten bij een weldoorkneed programma. Maar het is nog altijd aan de burgers om de verschillende partijprogramma’s met elkaar te vergelijken en op hun waardete beoordelen. En is dat niet precies het probleem in onze samenleving: dat de kwesties waarover de partijprogramma’s gaan en waarop zij verschillende visies geven, veel te ingewikkeld zijn geworden voor een individueel oordeel?

Onze hele economie en openbaar bestuur drijft al lang en breed op de samenwerking van specialisten, maar onze democratie drijft nog altijd op het oordeel van de enkeling. Het resultaat is in veel gevallen een emocratie, waarin het gevoelsmatige of intuïtieve oordeel van de burger de doorslag geeft. Populisten springen daar graag op in door de onderbuikgevoelens nog eens aan te wakkeren en zo steun te verwerven. Maar wat is het alternatief? Willen we wél iets doen aan het onvermogen van de enkeling, dan komen wij al snel uit bij een systeem waarin individuele burgers zich niet zélf uitspreken over complexe kwesties, maar dit overlaten aan een door hen gekozen gezelschap van deskundigen.

Willen we dat, zo’n technocratie op democratische leest geschoeid? Vast niet, op dit moment. Maar het gaat mij hier ook niet om de oplossing. Wat ik wil zeggen is dat ook hier de stelling van Fukuyama onder druk staat. Valt er werkelijk niets beters te bedenken dan een staatsvorm die berust op het zelfstandig oordeel van individuen? Hoe complexer onze samenleving wordt, nationaal en internationaal, hoe groter de kans dat wij opnieuw de ideologische geschiedenis in worden gedreven en ons opnieuw zullen moeten buigen over de beste (of minst beroerde) regeringsvorm.

China aan de macht: bepaalt Azië het echte einde?

En dan is er nog de opmars van China. Twintig jaar geleden was dat nog allerminst vanzelfsprekend. Naar schatting een miljoen studenten en burgers eisten in de zomer van 1989 politieke hervormingen, einde aan de corruptie en meer democratie. Het Chinese regime liep langs de rand van de afgrond en koos ervoor de protesten bloedig neer te slaan. Het was een kritiek en beslissend jaar: binnen de regering gingen stemmen op voor een zachtere lijn, maar in 1989 wonnen de hardliners en werd definitief besloten dat de economische hervormingen strikt gescheiden zouden blijven van politieke hervormingen. Wel een liberale economie, geen liberale democratie.

Twintig jaar later is China de derde economie in de wereld, na Japan en de Verenigde Staten. En met zijn economische macht is ook zijn politieke macht sterk toegenomen. Veelzeggend is de recente weigering van president Obama om de dalai lama van Tibet te ontmoeten, teneinde China niet voor het hoofd te stoten. Ook Hillary Clinton, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, waagt zich liever niet aan aanstootgevende vragen over Chinese schendingen van de mensenrechten. Tegelijkertijd laat Rusland zich de laatste tijd graag inspireren door de autoritaire wijze waarop China een economisch wonder tot stand weet te brengen. Ook Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse leiders zien in China’s autoritaire aanpak een steeds aantrekkelijker alternatief om tot aanzien in de wereld en welvaart in eigen land te komen.

De toenemende macht van China heeft ook zijn uitwerking op het internet. China investeert momenteel zwaar in het verkrijgen van meer kennis en zeggenschap over het internet. In Who Controls the Internet? (2006) schrijft Peter Yu: “De vraag is niet meer hoe het internet China zal beïnvloeden, maar hoe China het internet zal beïnvloeden”. Dankzij de gewillige medewerking van westerse bedrijven beschikt China over de meest geavanceerde technologie om het internetverkeer te censureren. En men vermoedt dat China de technologie inmiddels alweer doorverkoopt aan andere landen met autoritaire regimes.

We stuiten hier op een ingrijpende ontwikkeling: de toenemende macht van het autoritaire China legt een bijl aan de wortel van het westerse gelijk over vrijheid en democratie. Alles wat in de toekomst ‘vrijheid’ en ‘democratisch’ heet, zal óók beïnvloed zijn door het Chineze (of breder: Aziatische) denken en doen. De westerse waardering voor individuele vrijheid en mondigheid zal concurrentie krijgen van het Aziatische gemeenschapsdenken en paternalistische leiderschap. Aziaten laten zich in belangrijke mate leiden door de positie die zij innemen in de groep (als kind, ouder, vriend, burger, werknemer, werkgever, enz.) en zijn bereid hun eigen belang ondergeschikt te maken aan het collectief belang. Welke invloed zal dit hebben op het wereldwijde denken, naarmate de macht steeds verder in het Oosten komt te liggen? Het antwoord laat nog op zich wachten, maar één ding is duidelijk: de hegemonie van het westerse denken is gebroken.

Zo is er dus nog een derde reden om te twijfelen aan Fukuyama’s “einde van de geschiedenis”. Dat wat door hem wordt aangeduid als beste regeringsvorm, berust nog altijd op een westers concept van vrijheid en democratie. En daar zitten de Chinezen niet op te wachten. Garrie van Pinxteren schrijft in China: centrum van de wereld (2007): “Het is te veel wishful thinking van sommige groepen in het Westen om te denken dat de toenemende protesten in China automatisch ook de voorbode zijn van een democratische revolutie in China.” Noch de protesterende boeren noch de politieke activisten in China eisen een democratie naar westers model. Ze willen vooral één ding: dat China verandert in een echte rechtsstaat waar de overheid zich aan haar eigen wetten houdt.

We hoeven dus niet verbaasd te staan wanneer wij vanwege de opmars van Azië opnieuw de ideologische geschiedenis in worden gesleurd. En wie weet kan er zelfs vooruitgang worden geboekt wanneer de individuele mondigheid van het Westen en het groepsdenken van het Oosten elkaar in een ‘Euraziatisch midden’ weten te vinden.

Terugblik en vooruitblik

De balans opmakend is het, aan de vooravond van 2010 en twintig jaar na dat gedenkwaardige jaar 1989, dus allerminst zeker dat wij “het einde van de geschiedenis” hebben bereikt. Kijken wij naar ons eigen gedrag op het wereldtoneel, dan hebben wij al lang en breed het tegendeel bewezen van wat wij met de mond belijden. Kijken wij naar onze eigen samenleving, dan is al lang en breed duidelijk geworden dat geen burger nog zelfstandig de kwesties kan beoordelen die lokaal en wereldwijd moeten worden aangepakt. En kijken wij naar Azië, dan worden wij al lang en breed geconfronteerd met een wereldmacht die ons westerse gelijk almaar verder op de proef stelt.

De ideologische geschiedenis lijkt momenteel vooral een open einde te hebben. Dat zal velen die de onrust in de wereld gadeslaan, niet bepaald geruststellen. Maar in het christelijk perspectief ligt de ideologische geschiedenis ingebed in een omvattender geschiedenis, namelijk de geschiedenis van onze zoektocht naar de beste hoop voor deze wereld. En aan die geschiedenis is met de komst van Christus definitief een einde gekomen. Al bij zijn geboorte loven de engelen God over het feit dat nu de vrede op aarde aan zal breken. En na Pinksteren is het Petrus die naar hem verwijst wanneer hij de tijd aankondigt “waarin alles zal worden hersteld” (Handelingen 3:21).

Christus de Vredevorst is de beste hoop voor deze wereld. Dat bepaalt ook onze visie op de beste regeringsvorm. Daar waar het verstand de democratie omarmt als “einde van de geschiedenis”, omarmt de hoop uiteindelijk een Monarchie. Daarom blijven wij bidden “uw Koninkrijk kome” en “Kom, Heer Jezus!”. Want het is vanuit onze hoop op zijn komende heerschappij, dat wij nieuwe moed opvatten om – hoe gebrekkig ook – vandaag nog als vredestichters aan de slag te gaan.

Dit essay verscheen in CV Koers, december 2009