Evert Jan Ouweneel

Steeds meer westerlingen zijn niet meer vanzelfsprekend lid van een gemeenschap of organisatie, maar stellen eisen en blijven loyaal zolang aan die eisen wordt voldaan. Dit gedrag is typerend voor onze mobiele samenleving, en christenen zijn daarin niet anders dan niet-christenen. Steeds meer kerken die weten aan te sluiten bij de wensen en behoeften van bezoekers, groeien dan ook als kool. Hun groei blijkt echter ook hun zwakte te zijn, want hoe groter een kerk wordt, hoe meer deze alleen dankzij rigide gezags- en organisatiestructuren kan functioneren. Dat gaat in tegen een ander kenmerk van onze tijd, namelijk het post-industriële karakter van onze samenleving. Steeds meer westerlingen zijn hoger opgeleid en gewend aan een doordeweekse werkomgeving waarin specialisten op voet van gelijkheid samenwerken in flexibele netwerkverbanden.

Wat dus te verwachten van het verschijnsel megakerk en het bijbehorende ‘industriële leiderschap’? In dit artikel een beknopte analyse. Allereerst aandacht voor het verband tussen onze mobiele samenleving en het succes van megakerken, daarna aandacht voor eerst de kenmerken en daarna de sterkten en zwakten van megakerken als op zichzelf staand verschijnsel. Ten slotte aandacht voor de spanning tussen het industriële karakter van megakerken en onze post-industriële samenleving.

De mobiele christen

De mobiliteit van de moderne westerling heeft het kerkleven danig op zijn kop gezet.

Vroeger was een kerk verzekerd van een vaste aanhang: mensen woonden hun hele leven in dezelfde plaats en bezochten hun leven lang dezelfde kerk, ongeacht de (on)aantrekkelijkheid van hun kerkgenoten, de organisatie en de preek. Men hield vast aan de eigen kerk omdat het hele leven met deze kerk verbonden was. Mensen dachten daarbij meer aan het nakomen van hun sociale en godsdienstige verplichtingen dan aan het bevredigen van hun eigen individuele behoeften.

Inmiddels moeten de meeste kerken maar afwachten wie er aan komt waaien. Vereiste scholing en aantrekkelijke carrièremogelijkheden maken dat moderne christenen zelden meer in de plaats en gemeenschap van hun jeugd verblijven. Regelmatig veranderen zij van woonplaats en moeten de kerkelijke contacten weer helemaal opnieuw worden opgebouwd. Deze in- en uitloop bevordert niet bepaald de onderlinge verbondenheid in een kerkgemeenschap.

Nu was het wisselen van kerk aanvankelijk nog overzichtelijk en voorspelbaar: bij verhuizing koos men automatisch voor de kerk van de eigen gezindte in de nieuwe plaats of woonwijk. Inmiddels zijn veel christenen echter niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk mobiel. Kerkelijk Nederland ligt voor hen open – zover als zij maar met hun auto willen reizen. Op basis van welk criterium zullen zij nu hun keuze maken? De praktijk leert dat velen niet alleen letten op spirituele en bijbel-inhoudelijke aspecten, maar ook (en vaak zelfs vooral) op de kwaliteit van de leiders, de organisatie, de aangeboden ‘diensten en producten’ en de onderlinge omgang.

Oftewel, mobiele christenen stellen kwaliteitseisen aan een kerkgemeenschap en gaan voorbij aan kerken die daar niet aan kunnen beantwoorden. Deze gang van zaken zet de ‘economie van de kerk’ op zijn kop: daar waar men vroeger automatisch iets ‘verkocht’, moet men nu zien aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de klant omdat er anders niets wordt ‘verkocht’. Veel kerken die deze omslag niet weten te maken en niet weten om te schakelen van een ‘aanbod­gestuurde’ naar een ‘vraaggestuurde’ organisatie, lopen leeg of leiden een kwijnend bestaan.

Is dit nu dat verwenste consumentisme waarover wij ons hevig zouden moeten opwinden? Ik ga er niet zonder meer vanuit. De samenleving heeft een onomkeerbare revolutie in beweeglijkheid doorgemaakt, zowel geestelijk als lichamelijk. Dat heeft niet alleen een prijs (meer onrust, minder cohesie, en inderdaad het gevaar van consumentisme), maar levert ook iets op. Ten eerste is een ongezond soort automatisme in de kerkgang bij velen weggevallen — de nieuwe vraag luidt: ik hoef hier niet te zitten, dus waarom zit ik hier? Ten tweede is in veel kerken een ongezond soort automatisme verdwenen in het organiseren van diensten en het uitdragen van het evangelie — het nieuwe devies luidt: voorzie in een behoefte en lever maatwerk.

Amerikaanse megakerken

Sommige kerken leveren inderdaad maatwerk en groeien als kool. Het bekendste voorbeeld in Nederland is de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten. De allerbekendste voorbeelden komen echter uit Noord-Amerika: Saddleback Church met Rick Warren, Redeemer Presbyterian Church met Tim Keller, de Cristal Cathedral met Robert Schuller, Lakewood Church met Joel Osteen en Willow Creek Community Church met Bill Hybels. Het past geheel in onze tijd dat deze kerken en leiders beschikken over uitstekende management- en marketingkwaliteiten.

Onderzoek1 van de Amerikaanse socioloog en megakerk-deskundige Scott Thumma laat zien dat het aantal megakerken in de Verenigde Staten (met wekelijks 2000 of meer bezoekers) tussen 2000 en 2005 verdubbelde van 600 naar 1200.2 Vaak bevindt zo’n megakerk zich in een snelgroeiende buitenwijk van een grote stad, waar de grond goedkoper is en de juiste soort mensen woont, door Thumma in 2000 omschreven als “consumer oriented, highly mobile, well-educated, middle class families”.

Tussen 35% en 40% van de Amerikaanse megakerken rekent zichzelf niet tot een bepaalde denominatie.3 Vaak staat een charismatisch leider (in eenderde van de gevallen zonder ‘papieren’) aan zowel de basis als de top van de gemeenschap, zodat een megakerk vaak de visie en persoonlijkheid van deze leider reflecteert.

Opvallend en veelzeggend is, dat megakerken in de behoeften van zowel binnen- als buitenkerkelijken voorzien:

- Naar binnen toe fungeren zij als een “spiritual shopping center” waar iedereen kan vinden wat hij zoekt. Omgekeerd worden bezoekers van megakerken flink aangemoedigd commitment te tonen: het vereist immers vele toegewijde vrijwilligers om zo’n shopping mall draaiende te houden en te laten groeien. Maar ook los van deze praktische noodzaak wordt er bewust gestreefd naar het ontstaan van ‘familiebanden’, naar intimiteit, onderlinge zorg en betrokkenheid, door alle bezoekers die zich aan de megakerk willen committeren onder te brengen in kleine ‘kringen’, ‘celgroepen’, of hoe ze maar worden genoemd. De nadruk hierop is de afgelopen jaren flink toegenomen. In 2000 stelde 50% van de megakerken de kleine groepen centraal in hun beleid, in 2008 is dat percentage gestegen naar 84%. Thumma legt een voorzichtig verband tussen deze stijging en de afnemende sociale cohesie in veel megakerken. In 2005 omschreef 72% van de megakerken zichzelf als “a close-knit family”, in 2008 is dit percentage gedaald naar 62%.4

- Naar buiten toe vervullen bijna alle megakerken een vaak indrukwekkende sociaal-maatschappelijke rol: in 2000 constateerde Thumma dat 99% voedsel uitdeelt en zich bekommert om buitenkerkelijke jongeren en tieners, 91% geeft financiële steun aan armen en biedt geestelijke hulp in gevangenissen, 85% bekommert zich om mensen die mishandeld of verslaafd zijn, 84% verleent zorg aan buitenkerkelijke senioren, 80% brengt bezoeken aan tehuizen en ziekenhuizen, en 78% verschaft mensen (veilig) onderdak.

Al deze activiteiten maken duidelijk dat in megakerken de scheidslijn tussen kerk, zorginstelling, ‘goede doelen organisatie’ en soms onderneming moeilijk te trekken valt: naast de gebruikelijke samenkomsten komt men er ook concerten, georganiseerde reizen, winkels, dagopvang, ouderenzorg, financiële steun, voedselhulp etc. tegen, en naast het wekelijkse bulletin worden er ook cd’s, televisieprogramma’s, dvd’s, boeken, tijdschriften etc. geproduceerd. Weliswaar blijft het ‘kerkelijk karakter’ van de organisatie zichtbaar in erediensten en doopdiensten, maar deze gebeur­­tenissen liggen ingebed in een setting die zo breed is, dat kerk-zijn zo ongeveer alle menselijke activiteiten kan omvatten, op alle dagen van de week, zolang het maar door christenen wordt georganiseerd.

Tenslotte moet nog worden opgemerkt, dat megakerken dikwijls met allerlei kleinere, geestverwante kerken een (vaak internationaal) netwerk of associatie vormen. In zijn laatste onderzoek uit 2008 constateert Thumma dat megakerken zich steeds meer als “mini-denominaties” gedragen, dat wil zeggen: als een soort franchiseformule (mijn term) waarbij de ‘diensten en producten’ van één megakerk door allerlei andere kerken worden overgenomen.5 Het netwerk rond zo’n megakerk is echter veel losser dan een traditioneel kerkverband: kerken distantiëren zich gemakkelijk van de ene megakerk om zich vervolgens bij een andere aan te sluiten. Zo ‘kruimelig’ willen de megakerken het ook hebben: geen exclusief, rigide kerkverband waarin men bij elkaar hoort omdat dit ooit in de geschiedenis zo is beklonken of vanwege een uiterst specifiek gedachtegoed, maar een netwerk van kerken die samenwerken omdat zij om elkaar geven en dezelfde missie en visie delen. (Hier komen wij op kerkniveau dezelfde mentaliteit en mobiliteit tegen als die van de individuele moderne christen.)

Navolgenswaardig?

Is dit de toekomst: deze megakerken die als mammoetorganisaties vele christenen weten te verenigen en een dienende hand uitstrekken naar alle geledingen van de samenleving? Kijken we naar de praktijk, dan blijken de megakerken inderdaad dé trendzetters onder westerse christenen te zijn. De succesverhalen van sommige megakerken worden door miljoenen christenen gelezen en als navolgens­waardig opgevat. Zelfs veel kerken die niet streven naar 2000 of meer bezoekers per week, laten zich in hun beleidsbepaling inspireren door wat de ‘reuzen’ doen.

Toch, ondanks deze grote invloed van megakerken, is er ook sprake van een belangrijke tegenbeweging: weg van het kerkinstituut en richting de informelere setting van een huiskamer of netwerk. Dit roept de vraag op, wat nu precies navolgenswaardig is aan megakerken. Wat kunnen niet alleen kerkelijke maar ook buitenkerkelijke christenen leren van het verschijnsel megakerk?

Navolgenswaardig aan veel megakerken is naar mijn idee, dat zij het verschijnsel ‘kerk-zijn’ zover hebben opgerekt, dat het alle menselijke activiteiten kan omvatten en in vele noden kan voorzien. Oftewel, megakerken hebben het kerkinstituut van zijn introverte en nauwdenkende automatismen ontdaan en omgebouwd tot een aantrekkelijk antwoord op de vele vragen van zowel binnen- als buitenkerkelijken. Hier wordt gewerkt aan het bijbelse ideaal van het ene “Lichaam van Christus”, waarin alle leden hun kwaliteiten inzetten ter ondersteuning en verrijking van de anderen, en waarin alle leden tegelijk beseffen dat een sterk en gezond Lichaam geen doel in zichzelf is, maar zélf weer geroepen is tot dienstbaar­heid aan de omgeving (vaak een grote stad).

Minder navolgenswaardig is het centralistische en bureaucratische karakter van veel megakerken. Dat is namelijk vragen om teveel macht aan de top en te veel regels aan de basis. (Ik moet hier natuurlijk generaliseren; het gaat mij om een algemene zwakke plek in het verschijnsel megakerk.)

Over het eerste (teveel macht aan de top) merkt Thumma op, dat diverse megakerken wel belijden met een team aan de top te werken, maar in de praktijk vaak kritiekloos de visie en beleidsbepalingen van de ene “senior pastor” of “senior minister” volgen. Heel begrijpelijk natuurlijk, wanneer megakerken hun hele bestaan te danken hebben aan deze persoon. Bovendien: hoe groter de organisatie, hoe groter de gevolgen wanneer de leiders er niet uitkomen en hoe groter dus de behoefte aan een krachtige Chief Executive Officer die knopen doorhakt. Dikwijls echter wordt zo’n kerkelijke CEO onvoldoende gecorrigeerd of aangevuld, en duldt hij alleen die mensen om zich heen die weinig weerstand bieden. Het gevolg is, dat de beperkingen van een hele megakerk identiek zijn aan die van de leider. (Dit probleem wordt niet zonder meer opgelost door een team van leiders aan de top te plaatsen, want ook een heel team kan de beperkende factor in een organisatie zijn.) – Het probleem is hier niet leiderschap, maar centralisme en paternalisme. En natuurlijk gaat het om een algemeen probleem dat zich in iedere organisatie voor kan doen. Maar in een megakerk treft het vele mensen, en is het wel nodig dat er boven een gemeenschap van 20.000 christenen één hoofdbestuur of “senior pastor” werkzaam is?

Wat het tweede betreft (te veel regels aan de basis), megakerken zijn zó omvangrijk dat zij alleen dankzij rigide gezags- en organisatiestructuren kunnen functioneren. Met deze structuren is op zich niets mis; die zijn inherent aan iedere organisatie. Hoe groter echter de organisatie, hoe belangrijker het is dat medewerkers niet hun eigen gang gaan maar zich onderwerpen aan ‘directie en afdelingshoofden’ en aan de wijze waarop de dingen nu eenmaal geregeld zijn. Zo komt al gauw de organisatorische kant van kerk-zijn centraal te staan, en daarmee de vraag: hoeveel krijgen wij door goed management en goede marketing voor elkaar?

Op dit punt begint vaak het verzet van degenen die het kerkinstituut met vreugde vaarwel hebben gezegd – en vaak zien zij in kleinere kerken hetzelfde als in megakerken. Niet alleen bespeuren zij in de gezags- en organisatie­­structuren een industriële werkwijze die steeds minder aansluit bij onze post-industriële netwerksamenleving (zie hieronder), zij zien ook de organische kant van kerk-zijn in de verdrukking raken. Kerkleiders hebben volgens deze buiten-institutionele christenen veel te veel te zeggen over wat wel en niet de visie van de gemeente is en wat daar wel niet in past. Wat zou er gebeuren als een gemeente haar visie geheel zou laten afhangen van wat er leeft onder gemeenteleden, van wat zich aandient, van wat “de Geest aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil” (1 Kor. 12:11)? Visie ontvangen betekent dan: aansluiting zoeken bij de bewogenheid van een gemeenschap en niet buiten het organische draagvlak van die bewogenheid treden. Leider zijn betekent dan: opmerkenen verwoorden wat in veler harten leeft, de boel bij elkaar houden en op elkaar afstemmen. Dit brengt ons helemaal in de actualiteit van de post-industriële samenleving.

Post-industriële samenleving

Een halve eeuw geleden werd onze samenleving nog gedomineerd door ‘industriële organisaties’ waarin veel mensen eenvoudig, vaak lichamelijk belastend werk verrichten en het productieproces of de dienstverlening betrekkelijk overzichtelijk is. Het eenvoudige werk maakt dat de arbeid vaak maar op één manier goed gedaan kan worden. Nauwkeurige aanwijzingen dus, en graag veel gehoorzaamheid en loyaliteit op de werkvloer. Ook maakt het eenvoudige werk, dat medewerkers vrij gemakkelijk kunnen worden ingehuurd en ingewerkt, zodat leiders het zich kunnen veroorloven éérst beleid te maken en dan naar uitvoerders te zoeken.

In dit soort ‘industriële’ omstandigheden is het dikwijls wenselijk en zelfs noodzakelijk dat leiders weten wat er gedaan moet worden en medewerkers doen wat er gedaan moet worden.

Inmiddels leven wij in een samenleving die als ‘post-industrieel’ wordt aangeduid. Veel eenvoudig werk is inmiddels geautomatiseerd of verhuisd naar lage-loon-landen, zodat het overgebleven werk meer vakkennis en creativiteit vereist. Leiders dienen medewerkers meer hun eigen gang te laten gaan, wat bij steeds meer medewerkers de vraag oproept: “Waarom werk ik eigenlijk in een organisatie, voor bazen die vooral naar resultaten kijken en nauwelijks nagaan hoe ik aan die resultaten kom? Waarom begin ik niet een eigen onderneming? Dan kan ik mij veel specifieker richten op datgene waar ik passie voor heb en waar ik goed in ben, en bespaar ik mij al die vergaderingen om de bureaucratie in stand te houden.”

Zo schieten de eenmanszaken en gespecialiseerde ondernemingen als paddestoelen uit de grond. De schaalvergroting op het gebied van van kolen en staal, delfstoffen, chemicaliën, transport, administratie, textiel, electronica en levens­middelen, wordt inmiddels overschaduwd door de versplintering op het gebied van dienstverlening, informatiebeheersing en onderzoek. Samenwerking vindt steeds minder in organisatieverband en steeds meer in netwerkverband plaats.

Ook de grote organisaties beseffen dat het veel te duur en inefficiënt is om verstand te hebben van álle zaken die horen bij de totstandkoming van een dienst of product. Daarom stoten zij hele afdelingen of divisies af en besteden steeds meer taken uit, zodat zij zich alleen nog hoeven te richten op hun core business, dat wil zeggen op de zaken waar zij wél verstand van willen hebben. Gevolg: een complex en onoverzichtelijk netwerk van relatief kleine, zelfstandige organisaties die elkaar ten dienste staan en ieder hun aandeel hebben in de totstandkoming van allerlei diensten en producten.

En omdat ieder zijn plekje in het netwerk nog moet veroveren, dienen al die kleine organisaties niet alleen goed te zijn in hun vak, maar ook over voldoende sociale, commerciële en communicatieve vaardigheden te beschikken. In een post-industriële samenleving dient men zich dus enerzijds te specialiseren, anderzijds juist breed inzetbaar te zijn. En om meer opdrachten binnen te krijgen, dient men in eerste instantie niet zozeer aan organisatorische schaalvergroting, maar vooral aan organische schaalvergroting te doen: het eigen netwerk uitbreiden, veel borrelen, socializen, brainstormen, balletjes opgooien – welkom in de post-industriële samenleving.

De enorme toename van vakkennis, omgevingsinformatie en ondernemingen doet de industriële overzichtelijkheid verdampen. Steeds meer mensen hebben steeds meer verstand van steeds minder. Dit vraagt om een ander type leiderschap. Het luisteren naar ‘de chef’ moet noodgedwongen vervangen worden door een luisteren naar elkáár. Meer dan ooit tevoren zijn de verschillende specialisten niet alleen nodig maar ook gezaghebbend op hun gebied. Het autoritaire één-weet-alles werkt averechts; de nieuwe weg is het egalitaire ieder-weet-iets.

Een leider is in deze post-industriële setting degene die mensen bij elkaar kan brengen, bij elkaar kan houden, en ervoor kan zorgen dat alle specialisten tezamen tot dat ene product of die ene dienst komen. Zo’n leider lijkt op Job Cohen, die bij zijn aantreden als burgermeester van Amsterdam slechts de ambitie had “de boel bij elkaar” te houden. Centrale leidersnoties zijn hier niet zozeer visie en gezag, want deze worden juist gedeeld door alle deelnemers. Een post-industrieel leider blinkt uit in coördinatie, bemiddeling en aanstekelijk enthousiasme.

Nieuwe kloof

Vergelijken wij nu dit post-industriële leiderschap met de industrieel georganiseerde megakerken, dan zal duidelijk zijn dat beide op gespannen voet met elkaar staan. Moeten wij dus de conclusie trekken dat de megakerken ‘uit de tijd’ zijn? Dat denk ik niet. Allereerst sluiten megakerken nog altijd aan bij onze mobiele samenleving, waarin mensen niet meer vanzelfsprekend lid zijn van een gemeenschap of organisatie, maar eisen stellen en loyaal blijven zolang aan die eisen wordt voldaan. Ten tweede voelt lang niet iedereen zich op zijn gemak bij de post-industriële onoverzichtelijkheid en ontstaat er juist een nieuwe behoefte aan ‘industriële’ helderheid. De megakerken beantwoorden precies aan deze behoefte, evenals trouwens veel traditionele kerkinstituten in Nederland die vaak ook nog op industriële wijze functioneren.

Hier dient zich echter een kloof aan die de komende decennia zou kúnnen uitgroeien tot een algemene tweedeling in het protestantisme, namelijk de kloof tussen degenen die behoefte hebben aan goede ‘serviceverlening’ en heldere structuren, en degenen die behoefte hebben aan flexibele en egalitaire netwerken waarin iedere deelnemer niet alleen nodig maar ook gezaghebbend is.

Wie hebben behoefte aan een goede ‘serviceverlening’? Vooral veel mondige middenklasse gezinnen die eisen stellen aan de zorg voor hun onvolwassen kinderen. Ouders willen hun kinderen los kunnen laten in een leuke en veilige leer- en leefomgeving waarin dezelfde overtuigingen, normen en waarden gelden. Ook zien zij graag hun kinderen opgenomen in een groep van leeftijdgenoten die elkaar ondersteunen en vooruithelpen in het geloof. In megakerken en de grotere Nederlandse kerken wordt doorgaans in deze behoefte voorzien.

Wie hebben behoefte aan heldere structuren? Vooral de lager opgeleiden, die niet geoefend zijn in het omgaan met (te) veel informatie en complexiteit. De industriële samenleving was in belangrijke mate op deze groep afgestemd, maar in de post-industriële samenleving voelen veel lager opgeleiden zich onbehaaglijk: gedesoriënteerd en ondergewaardeerd. Megakerken én traditionele kerkinstituten kunnen dit onbehagen wegnemen doordat zij blijven vasthouden aan de ‘industriële’ waarden van onderwerping, loyaliteit, helderheid en centraal leiderschap.

Overigens moet gezegd worden dat ook veel megakerken en traditionele kerkinstituten meer op hoger opgeleiden dan op lager opgeleiden zijn afgestemd. Hun groei ontlenen zij meer aan de goede serviceverlening voor “consumer oriented, highly mobile, well-educated, middle class families” dan aan de heldere visie en structuren voor lager opgeleiden. Dat heeft deels met de hogere opleiding van veel dominees en voorgangers te maken, deels met de culturele kloof tussen hoger en lager opgeleiden. De ‘verweesdheid’ van veel lager opgeleiden in onze post-industriële samenleving is een zorgwekkend feit waarop de meeste kerken nog geen antwoord hebben.

Schril is dan ook het contrast tussen deze lager opgeleiden en de hoger opgeleiden, die steeds meer hun werkweek doorbrengen in flexibele en egalitaire netwerken. Dat wat de eerste groep als bedreigend ervaart – teveel informatie en complexiteit – ziet deze laatste groep juist als een kans, want juist vanwége de onoverzichtelijkheid hebben zij met hun specialistische kennis en expertise een toegevoegde waarde.

Met name de hoger opgeleiden zien met lede ogen aan hoeveel (specialistische) kennis en kunde verloren gaat in de rigide gezags- en organisatie­structuren van megakerken en traditionele kerkinstituten. Hun voorkeur gaat steeds vaker uit naar heel andere vormen van kerk-zijn: organischer vormen, waarin niet de vaste gezags- en organisatiestructuur en een centrale visie maar alleen een gedeelde bewogenheid de motor vormt achter inspanningen. Een setting dus, waarin dingen vooral gebeuren uit persoonlijke overtuigingskracht en niet uit gehoorzaamheid en loyaliteit. Een setting ook, waarin christenen van allerlei pluimage — muzikanten, herders, profeten, leraren, ICT’ers, accountants, organisators, noem maar op — niet in dienst zijn van een kerkinstituut, maar hun diensten aanbieden in netwerkverbanden die tot opbouw van zowel het Lichaam van Christus als de samenleving dienen.

Let wel: niet wat kerken als gemeenschap doen,maar wat zij als organisatie zijn, is volgens deze buiten-institutionele christenen aan verandering toe. De dienende liefde van kerken – naar elkaar en naar buiten – mag natuurlijk niet verloren gaan. Een netwerk verschaft echter veel meer ruimte voor gaven en talenten, zo denken deze christenen, omdat iederin dit netwerk niet alleen nodig maar ook gezaghebbend is.

Verbindende netwerken

Megakerken voorzien onmiskenbaar in een behoefte, maar als industriële organisaties in een post-industriële samenleving lopen zij de nodige risico’s. Het aantal hoger opgeleiden neemt alleen maar toe in onze samenleving en daarmee het aantal mensen dat gewend is samen te werken in flexibele en egalitaire netwerken. Ook neemt in onze steeds complexer worden samenleving de kans toe dat de kerkleiding het geheel niet goed kan overzien en simplistische ideeën erop nahoudt. En dan is er nog het feit dat de geestelijke en fysieke mobiliteit in onze samenleving nog altijd toeneemt, zodat het alleen maar moeilijker wordt voor een megakerk om de onderlinge verbondenheid vast te houden.

Ik verwacht en hoop dat veel megakerken zullen opschuiven in de richting van een wat kruimeliger netwerk, bestaande uit meerdere organisaties en gemeenschappen. In feite is dit proces al gaande. Eerder werd al opgemerkt dat 84% van de megakerken het inmiddels belangrijk vindt de grote gemeenschap op te delen in kleine groepen. Ook constateert Thumma dat er onder megakerken inmiddels sprake is van “growth without more seats”: in plaats van nog massalere diensten wordt de groei opgevangen in meerdere diensten op meerdere plaatsen.6

Decentralisatie in samenzijn en samenwerking zal naar mijn verwachting alleen maar belangrijker worden als middel om de betrokkenheid en onderlinge verbondenheid in megakerken te vergroten. Maar het vereist wel de nodig aanpassing. De helderheid waar lager opgeleiden naar verlangen, zal minder uit centraal beleid en strakke structuren kunnen bestaan en meer de vorm moeten aannemen van heldere omgangsvormen (trouw en betrouwbaarheid) en heldere verantwoordelijkheden (met kennis van elkaars sterkten en zwakten). En natuurlijk kan de “senior pastor” het gezicht blijven van zo’n netwerk, maar hij zal minder een aanvoerend leider kunnen zijn en meer een verbindend leider moeten worden die “de boel bij elkaar houdt”, coördineert, bemiddelt en inspireert.

Ook buiten de megakerk zal het besef van onderlinge verbondenheid door decentralisatie kunnen toenemen. De kruimeliger netwerkstructuur zal het eenvoudiger maken verbindingen te leggen naar andere kerken, huisgemeenten, organisaties en netwerken. De megakerk zal zich veel soepeler kunnen voegen in een stedelijk netwerk van christenen die gezamenlijk gericht zijn op het ledigen van de nood in de eigen stad. De betekenis en potentie van zo’n maatschappelijk betrokken netwerk kan nauwelijks worden overschat: het eensgezind en gemeenschappelijk navolgen van Christus in zijn streven naar vrede en gerechtigheid kon weleens dé weg zijn waarlangs de kloof tussen institutionele en buiten-institutionele christenen in de nabije toekomst kan worden overbrugd.

Eindnoten

1. Scott Thumma is hoogleraar godsdienstsociologie aan Hartford Seminary in de Verenigde Staten. In 2000, 2005 en 2008 hield hij een enquête onder Amerikaanse megakerken (met minimaal 2000 bezoekers per week). De uitslag van deze enquêtes kwam in drie rapporten terecht. In 2000 baseerde hij zijn rapport op de antwoorden van 153 megakerken. In 2005 steeg dat aantal naar 406 megakerken en dit jaar berust zijn rapport op de antwoorden van 372 megakerken. De drie rapporten zijn na te lezen op de website van het Hartford Institute for Religion Research: hirr.hartsem.edu/megachurch/research.html. De gegevens in dit artikel zijn hieruit afkomstig. Het rapport uit 2005 en 2008 is te downloaden als pdf-bestand met paginanummers; onderstaande eindnoten verwijzen naar deze bestanden.
2. Thumma, Megachurches Today 2005, p. 1.
3. Thumma, Megachurches Today 2005, p. 4.
4. Thumma, Changes in American Megachurches (2008), p. 10v.
5. Thumma, Changes in American Megachurches (2008), p. 9.
6. Thumma, Changes in American Megachurches (2008), p. 6.

Bibliografie

- Ouweneel, Evert Jan, “De metamorfose van de kerk”, in: Idea, oktober 2007, december 2007 en februari 2008; dit drieluik beschrijft allereerst de opmars van zowel megakerken als het netwerk-christendom en vervolgens een win-win perspectief waarin de kracht van beide wordt gebundeld. Klik hier voor een PDF bestand van dit drieluik
- Thumma, Scott & Travis, Dave, Beyond Megachurch Myths: what we can learn from America’s larges churches (foreword by Rick Warren), San Francisco: Jossey-Bass, 2007 (gebaseerd op het onderzoek van 2000 en 2005).

 Dit essay verscheen in Soteria, 25e jaargang, nr. 4 - 2008.