Evert Jan Ouweneel

Wat is christelijk in een postchristelijke samenleving? Je zou zeggen: dat wat altijd al christelijk was. Maar soms moet men opnieuw het wiel uitvinden om hetzelfde met andere ogen te kunnen zien.

Het christelijke denken in Europa lag de afgelopen eeuwen ingebed in een veel bredere Europese manier van denken. Nu deze mentaliteit ingrijpend is veranderd, zal ook het Europese christen­dom zichzelf ingrijpend moeten herzien. We kunnen daarbij maar beperkt terugvallen op oude denkbeelden of leunen op Amerikaanse inzichten. Meer dan enig ander werelddeel zijn wij een pionierend continent geworden. Dat kan onbehaaglijk aanvoelen, maar biedt ook geweldige kansen.

Van leer naar life style

Vroeger verwezen niet alleen de katholieken en protestanten maar ook de socialisten en liberalen naar een absolute norm. De eerste groep beriep zich op het Woord van God, de tweede groep verwees naar de menselijke natuur, en de democratie zorgde ervoor dat al die ‘absolute waarheden’ vreedzaam naast elkaar konden bestaan.

Inmiddels ligt deze tijd achter ons: steeds minder mensen beroepen zich op een absolute norm. Zo’n claim wordt inmiddels geassocieerd met de ideologische oorlogen van de vorige eeuw en met het religieuze extremisme in onze tijd. Europeanen denken niet meer zozeer in termen van leer en leefregels, maar vooral in termen van life style. Ze luisteren goed naar hun eigen gevoel of intuïtie, laten zich inspireren door de leefwijze van anderen, en richten op basis hiervan hun leven in. En waar de democratie vroeger vooral de wetenden naast elkaar liet leven, beschermt zij nu vooral de ruimte van de onwetendheid.

Veel christenen presenteren hun geloof echter nog steeds alsof de verwijzing naar een absolute norm gemeengoed is in onze samenleving. Zij zeggen dan dat zij hun denken en doen baseren op de Bijbel als het onfeilbare en gezaghebbende Woord van God en als absolute norm voor het leven. Om de heidenen te behagen, willen zij deze norm ook nog wel met seculiere (pragmatische of gevoelsmatige) argumenten onderbouwen, maar dat is eigenlijk bijzaak. Het dienen van God door onderwerping aan zijn Woord, daar draait het om. Ze blijven het herhalen, terwijl de gemiddelde Europeaan al lang en breed is afgehaakt, omdat hij simpelweg niet meer hiërarchisch en principieel is ingesteld – zeker niet wanneer er een schriftelijke versie van het ‘Woord van God’ bestaat dat door christenen op tig manier wordt uitgelegd.

Van onderwerping naar instemming

De gemiddelde Europeaan die in onze tijd zoiets tegenkomt als ‘het Woord van God’, zal daarin niet zozeer zoeken naar iets waaraan hij zich kan onderwerpen, maar vooral naar iets waarmee hij van harte kan instemmen. Hij zal nagaan of hij het eens is met God, of hij met hetzelfde probleem rondloopt en naar dezelfde oplossing verlangt als God.

Dat is even wennen voor de christen! De traditionele evangelieverkondiging gaat immers niet over onze meningen, maar over Góds kijk op de zaak. En God heeft een probleem met óns omdat wij zijn geboden overtreden. Maar gelukkig, zo vervolgen wij, kan ieder van ons vergeving ontvangen en vanuit een herstelde relatie met de Allerhoogste opnieuw de vruchten plukken van een leven naar Gods wil en tot Gods eer.

Wat denkt de gemiddele Europeaan hiervan? Hij denkt: “Ik ga toch zeker geen moeite doen om te geloven in een probleem! En al helemaal niet in een God die mij als probleem beschouwt! Laten de christenen zichzelf maar een schuldcomplex aanpraten en vervolgens God aanwijzen als de Grote Vergever, het is niet mijn probleem. Ik zoek een God – áls ik er een zoek – die mij begrijpt en die ik begrijp, omdat we het samen eens zijn over het probleem en de oplossing.”

De gemiddelde Europeaan zoekt dus een horizon waarmee hij letterlijk en figuurlijk leven kan. En hoort daar een God bij, dan zoekt hij een God die hij letterlijk en figuurlijk volgen kan.

Wat de Europeaan nodig heeft is niet zozeer een normatieve waarheid, maar een drijfveer om uit bed te komen. En probeert hij aan een bepaalde gebrokenheid te ontsnappen, dan zoekt hij opnieuw niet zozeer een normatieve waarheid, maar voorbeelden van vrijheid en liefde waardoor hij zeggen kan: “Het is niet onmogelijk! Dit geeft de burger moed! Hier hoop ik op!”.

Verenigd in één verlangen

Dit is iets om vast te houden: hedendaagse Europeanen zijn in staat alles te betwijfelen, maar wat zij doorgaans niet betwijfelen is hun eigen verlangen en de hoop op de vervulling daarvan. Ziehier, een cruciale sleutel om als hedendaagse christen weer mens onder de mensen te zijn.

Eén ‘algemeen en onbetwijfeld’ verlangen kan christenen en niet-christenen verenigen in één hartekreet: het verlangen om tot rust te komen in het onvoorwaardelijk geliefd zijn door de ander. En één ‘algemene en onbetwijfelde’ hoop kan christenen en niet-christenen verenigen in één horizon: de hoop op een leven zonder gebrokenheid en zonder het afscheid van de dood.

Hoop wordt in Hebreeën 6:19 het “anker van de ziel” genoemd. Helemaal mee eens! Want al staat soms mijn geloof onder druk, ik verlies niet mijn hoop, want de wanhoop die dan overblijft is eenvoudigweg ondraaglijk. Het schip van mijn geloof kan op drift raken, maar niet mijn hoop. Ik blijf stug hopen op het bestaan van onvoorwaardelijke liefde en op het volledige herstel van deze aarde. En regelmatig ben ik wat zekerder van de zaak en geloof ik het ook. Dan blijkt tussen hoop en geloof slechts een gradueel verschil te bestaan: geloof is dan “de zekerheid van wat men hoopt” (Hebreeën 11:1 in de Telos-vertaling).

Zolang mijn geloof verankerd blijft in wat ik hoop, kan ik er ook niemand mee om de oren slaan. Met deze vreedzaamheid in het achterhoofd lees ik Petrus, wanneer hij schrijft: “Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden” (1 Petrus 3:15).

Wat heeft de Bijbel te zeggen over onze hoop op rust, geborgenheid en herstel?

Onvoorwaardelijke liefde

Sla alle religies maar erop na: er is maar één God die alle mensen onvoorwaardelijk liefheeft. Alleen bij de God van de Bijbel kan men daarom werkelijk tot rust komen, omdat men niet de liefde hoeft te verdienen, maar een volkomen waardigheid en geborgenheid kan ervaren in het al bij voorbaat geliefd zijn door de Allerhoogste. Het verlangen naar deze rust kan christenen en niet-christenen tot op het bot verenigen. En geeft de christen ook nog eens de liefde dóór die hij gratis en voor niks van God ontving, dan is de wereld een inspirerend voorbeeld rijker en kan de medemens zeggen: “Het is niet onmogelijk!”.

Dit is een wezenlijk onderdeel van de christelijke way of life: gewoon door­geven wat men ontvangen heeft, geen rekening achteraf, maar gratis liefde, vanuit het besef dat de ander net zozeer naar gratis liefde verlangt als ik. Geen liefde in ruil voor bekering, maar liefde in ruil voor rust, genezing en herstel.

Let wel: ik zeg niet dat alleen christenen gratis kunnen liefhebben. Ik geloof wel dat als wij verlangen naar gratis liefde en teleurgesteld zijn in de liefde van medemensen, dat dan alleen de God van de Bijbel als laatste schuilplaats overblijft. En ik zeg ook dat degenen die daadwerkelijk schuilen bij deze God kunnen uitgroeien tot inspirerende voorbeelden voor anderen – in navolging van Jezus Christus.

Onvoorwaardelijke belofte

Sla opnieuw alle religies maar erop na: er is maar één God die onvoorwaardelijk heeft beloofd dat deze aarde (evenals de hemel) volledig zal worden hersteld. Ditmaal kan de mens tot rust komen omdat hij kan loslaten, omdat niet alles afhangt van wat hij hier en nu bereiken kan. Wie moeite heeft met deze wereld, met het verdriet, de pijn en het onrecht, en teleurgesteld is in het oplossend vermogen van de mensheid, kan zich laven aan de gedachte dat de God van de Bijbel heeft belóófd, dat te zullen voltooien wat wij begonnen zijn en niet af kunnen maken.

Dit is opnieuw een wezenlijk onderdeel van de christelijke way of life: nooit de moed verliezen, maar blijven hopen op herstel omdat God zich heeft opgeworpen als Hersteller. Zoals Petrus schrijft: “Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.” (2 Petrus 3:13)

Juist in onze tijd, waar de natuur zwaar gebukt gaat onder het juk van de mens en waar veel maatschappelijke problemen uiterst complex, wereldomvattend en diepgeworteld zijn, is deze hoop dat “alles zal worden hersteld” (Handelingen 3:21) van grote existentiële waarde. Het uit zich in een houding waarin men niet bereid is iets of iemand (mens of dier, natuur of cultuur) als reddeloos verloren op te geven.

De christelijke way of life is echter niet alleen een houding van: ‘blijven werken aan herstel vanuit een onverwoestbare hoop’. Zij betekent ook: ‘weten waar men niet meer kán oplossen en moet overschakelen op de volharding, omdat sommige problemen alleen door de beloofde Messias kunnen worden opgeslost’. Het Nieuwe Testament eindigt in dit verband met de veelzeggende woorden: “Kom, Heer Jezus”.

Helpen hopen

Dit is dus mijn suggestie: dat christenen in onze postchristelijke samenleving een stapje terugdoen en niet meteen doorstoten naar de Bijbel als goddelijke ‘norm voor het leven’. Zoiets kan men maken in een christelijke samenleving, of breder in een ideologische samenleving waar ook atheïsten naar zo’n absolute norm verwijzen, maar niet in onze samenleving. In onze tijd moeten we gewoon beginnen bij het begin en zoeken naar dat wat mensen met elkaar delen aan meest basale verlangens. De God van de Bijbel kan zich dan voegen in ons samenzijn, net als Jezus deed bij de Emmaüsgangers (Lukas 24), en ons met zijn Woord en Geest nieuwe moed inblazen. Dan kan het ook zomaar gebeuren dat de hoop van de christen resoneert met het verlangen van de niet-christen, zodat deze kan zeggen: “Ik help het je hopen”.

Hopen uit liefde

De bijbelse hoop is echter geen gemakkelijke hoop. Zij is eerder de allermoeilijkste hoop omdat zij de hoogste vorm van liefde vereist, namelijk onvoorwaardelijke liefde (agapè). Wanneer kunnen wij hopen dat “alles zal worden hersteld”? (Handelingen 3:21) Wanneer wij kunnen houdenvan alles wat deze schepping te bieden heeft. Wanneer kunnen wij hopen op “de levende God als redder van alle mensen”? (1 Timotheüs 4:10) Wanneer wij kunnen houden van alle mensen die wij tegenkomen.

Zo geldt dus met volle kracht: “Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde (agapè)” (1 Korinthiërs 13:13).

Kunnen wachten en niet kunnen wachten

Zou God daarom zo onzichtbaar zijn? Moeten wij daarom alleen met geloof, hoop en liefde zien rond te komen? Omdat God op zoek is naar mensen die zóveel houden van deze schepping dat zij blijven hopen op herstel – ook als zij niet over het ultieme bewijs beschikken dat die herstelde aarde er ooit komen zal? Zoekt God mensen die Hém zoeken, en blijven zoeken, omdat zij Hem nodig hebben – uit liefde voor deze wereld? Omdat zij op hun eigen onvermogen en het onvermogen van de hele mensheid stuiten en niet met minder genoegen kunnen nemen dan een goddelijk Woord van liefde en herstel? Zijn dit degenen met wie Christus de aarde zal herstellen? Omdat zij – ook zonder het ultieme Godsbewijs – blijven delen in Gods verlangen en uit liefde voor de schepping niet anders kúnnen dan zich vast te klampen aan Gods Woord van hoop en liefde?

Dit zijn dan ook degenen die niet kunnen wachten. Ze beginnen alvast met het streven naar vrede en gerechtigheid, want de komst van de Messias duurt hen te lang, en passief wachten is hen te passief. Ze zijn teveel bewogen over de kwetsbaren in deze wereld om stil te zitten, en beginnen alvast.

Maar het zijn ook degenen die juist wél kunnen wachten, omdat zij hun eigen onvermogen en het onvermogen van de hele mensheid kennen en daarom met hart en ziel herhalen wat op de laatste bladzijde van de Bijbel staat: “Kom Heer Jezus!”.

De gelovige mens, die bewogen is over dat wat God beweegt, is betrokken alsof alles van hem afhangt, maar geeft zich tegelijk over alsof alles van God afhangt. Uiteindelijk bidt de gelovige: “Het is Uw zaak, niet de mijne”. Maar dat is geen zwaktebod. Het is het bewijs dat de gelovige een schuilplaats heeft gevonden. Dat hij nooit radeloos of verbitterd hoeft te raken, omdat hij vertrekt vanuit Gods liefde en belofte. Daarom is hij betrokken én ontspannen: waar mogelijk verspreidt hij de liefde en hoop die hem gegeven is, maar het blijft Gods zaak.

Kunnen wachten en niet kunnen wachten. Dat is de kunst. Christelijke levenskunst. En een geschenk.

Dit essay verscheen in Bodem (augustus 2008), Nederlands Dagblad (17 oktober 2008) en CV Koers (juli 2009)