Evert Jan Ouweneel

De afgelopen decennia heeft de leider een ware metamorfose doorgemaakt. Ooit was er de ‘chef’ die over de schouder van de medewerker meekeek en precies vertelde hoe het moest. Inmiddels is deze ‘chef’ op steeds meer gebieden vervangen door een coördinator die medewerkers de ruimte geeft en alleen ‘de boel bij elkaar’ houdt zodat er een eindproduct ontstaat. Gunstig voor hoger opgeleiden, die een eigen vrije ruimte nodig hebben om innovatief en deskundig te zijn. Veel lager opgeleiden hebben echter nog altijd behoefte aan heldere organisatie- en gezagsstructuren en ergeren zich met name aan de ‘slappe leiders’ in de politiek. De populisten van onze tijd weten goed aan te sluiten bij dit onbehagen. Met hun ferme taal en autoritaire oplossingen vullen ze de leegte die de ‘chefs’ hebben achtergelaten. Maar kunnen de complexe problemen en oplossingen van onze tijd nog wel in oneliners worden samengevat?

Hier een paar waarnemingen om in het achterhoofd te houden.

Post-industrieel leiderschap

Een halve eeuw geleden werd onze samenleving nog gedomineerd door ‘industriële organisaties’ waarin veel mensen eenvoudig, vaak lichamelijk belastend werk verrichtten en het productieproces of de dienstverlening betrekkelijk overzichtelijk was. Het eenvoudige werk maakte dat de arbeid vaak maar op één manier goed gedaan kon worden. Nauwkeurige aanwijzingen dus, en graag veel gehoorzaamheid en loyaliteit op de werkvloer.

Inmiddels ziet onze samenleving er heel anders uit. Veel eenvoudig werk is geautomatiseerd of verhuisd naar lage-loon-landen. Het overgebleven werk vereist steeds meer vakkennis en creativiteit. Leidinggevenden kunnen onmogelijk nog voorschrijven hóe alle specialisten hun werk moeten doen. Het komt er vooral op aan deze specialisten zo te ‘managen’, dat het maximale resultaat wordt bereikt doordat allen op elkaar zijn afgestemd en de ruimte krijgen om ‘hun ding’ te doen.

Dat roept bij steeds meer medewerkers de vraag op: “Waarom werk ik eigenlijk in deze organisatie, voor managers die vooral naar resultaten kijken en nauwelijks kunnen nagaan hoe ik aan die resultaten kom? Waarom begin ik niet – alleen of met anderen – een eigen onderneming? Dan kan ik mij veel specifieker richten op datgene waar ik passie voor heb en goed in ben, en bespaar ik mij al die vergaderingen om de bureaucratie in stand te houden.”

Zo schieten de eenmanszaken en specialistische ondernemingen als paddestoelen uit de grond. Tegelijk merken grote organisaties dat het veel te duur en inefficiënt is om verstand te hebben van álle zaken die horen bij de totstandkoming van een dienst of product. Daarom stoten zij hele afdelingen of divisies af en besteden steeds meer taken uit, zodat zij zich alleen nog hoeven te richten op hun core business, dat wil zeggen op de zaken waar zij wél verstand van willen hebben.

Het resultaat is een complex netwerk van relatief kleine, zelfstandige organisaties die elkaar ten dienste staan en ieder hun aandeel hebben in de totstandkoming van allerlei diensten en producten. En omdat ieder zijn plekje in het netwerk nog moet veroveren, dienen al die organisaties niet alleen goed te zijn in hun vak, maar ook over voldoende sociale, commerciële en communicatieve vaardigheden te beschikken. Dus veel netwerken, borrelen, socializen, brainstormen, balletjes opgooien… welkom in de post-industriële samenleving.

De enorme toename van vakkennis, omgevingsinformatie en ondernemingen doet de industriële overzichtelijkheid verdampen. Steeds meer mensen hebben steeds meer verstand van steeds minder. Het luisteren naar ‘de chef’ moet noodgedwongen vervangen worden door een luisteren naar elkáár. Meer dan ooit tevoren zijn de verschillende specialisten niet alleen nodig maar ook gezaghebbend op hun gebied. Het autoritaire één-weet-alles werkt averechts; de nieuwe weg is het egalitaire ieder-weet-iets.

Een leider is in deze post-industriële setting degene die mensen bij elkaar kan brengen, bij elkaar kan houden, en ervoor kan zorgen dat alle specialisten tezamen tot dat ene product of die ene dienst komen. Zo’n leider lijkt op Job Cohen, die bij zijn aantreden als burgermeester van Amsterdam slechts de ambitie had “de boel bij elkaar” te houden. Een post-industrieel leider blinkt uit in coördinatie, bemiddeling en aanstekelijke betrokkenheid.

Politieke spagaat

Niet alleen de dienstverlening en het productieproces is een stuk ingewikkelder geworden, onze hele samenleving kampt met de onoverzichtelijkheid van teveel informatie en teveel complexiteit. Om alleen al de aard en omvang van een maatschappelijk probleem te doorgronden, moeten de krachten van vele specialisten worden gebundeld. Het gevolg is dat visionair en gezaghebbend leiderschap ook in de politiek steeds meer het resultaat is van samenwerking en steeds minder aan individuen kan worden toegeschreven.

Maar wat wil het geval: in de politiek draait het sinds het wegvallen van de oude ideologieën alleen nog maar meer om individueel leiderschap. Partijleiders dienen zich juist meer te profileren als het charismatische, visionaire en gezaghebbende hoofd van de troepen – als de ‘chef’ die weet waar het heen moet en met zelfverzekerde tred voorop loopt.

Het gevolg van deze spagaat is dat politieke bestuurders al snel worden uitgemaakt voor ‘laffe leiders’ met ‘slappe knieën’ en ‘zonder ruggengraat’. Als bestuurders zijn deze politici zich namelijk zeer bewust van de complexiteit van iedere kwestie. Ze worden overspoeld met informatie van specialisten die graag vertellen hoeveel kanten er aan de zaak zitten en wat de negatieve consequenties zijn van iedere mogelijke oplossing. Tegelijk moeten deze politici als leiders voor de camera met heldere probleemstellingen en daadkrachtige oplossingen komen.

Wat te doen? Het pleit voor politieke bestuurders, dat zij vaak toch kiezen voor de behoedzaamheid die hoort bij hun verantwoordelijkheid als bestuurder. Het gevolg is echter wel, dat ándere politici, oppositieleden zónder bestuursverantwoordelijkheid, zich met des temeer verve kunnen opwerpen als heldere en daadkrachtige leiders. Zo neemt de druk toe op de politieke bestuurders om óók tot krachtige uitspraken te komen – op het gevaar af dat zij simplistische maatregelen nemen die vanzelf een keer door de weerbarstige werkelijkheid worden afgestraft.

Populistische chefs

Oppositieleden die de politieke bestuurders lafheid en slappe knieën verwijten, weten zich vooral gesteund door het lager opgeleide deel van de bevolking. Deze groep voelt zich alleen al onveilig en onzeker doordat zij het minst geoefend is in het omgaan met (te) veel informatie en complexiteit – en dikwijls niet meer kan terugvallen op de helderheid van een ideologisch perspectief. Ook voelen veel lager opgeleiden zich genegeerd en ondergewaardeerd doordat zij niet goed kunnen aansluiten bij het ‘geborrel’ en ‘gekonkel’ in onze netwerksamenleving. Vaak hebben zij namelijk op hún werkniveau nog wel degelijk met strakke gezags- en organisatiestructuren te maken.

Het zijn de populisten van onze tijd die precies dit dubbele onbehagen weten te vertalen in een politiek geluid. Rechtse populisten doen het daarbij beter dan linkse populisten, aangezien zij zich minder bezig houden met complexe solidariteits- en emancipatiekwesties en zich dus meer kunnen richten op het eigenbelang van ‘de ontevreden burger’. Aan discussies hechten zij maar beperkt belang, want voor hen telt vooral het verschil tussen lafheid en daadkracht. In één ferme oneliner weten zij zowel het probleem als de oplossing aan te wijzen, en met de autoriteit van een ‘chef’ menen zij die oplossing te kunnen doorvoeren.

Deze rechtse populisten vertegenwoordigen bepaald niet de hele samenleving, maar zij vertolken een ongenoegen onder de – vooral autochtone – lager opgeleiden, die in kracht niet mag worden onderschat. Onze post-industriële en post-ideologische samenleving heeft de tweedeling tussen hoger en lager opgeleiden ernstig verbreed en verdiept, en de politieke consequenties hiervan zijn inmiddels dagelijks voelbaar. Het wordt nog een hele klus om deze kloof te overbruggen.

Van ferme taal en heldere oneliners wordt de wereld echter niet eenvoudiger. Bestuurders moeten behoedzaam kunnen blijven omgaan met complexe kwesties. De onderlinge afhankelijkheid zal ook alleen maar toenemen. Autoritair denken in de politiek is nog alleen gepast in tijden van crisis.

Maar misschien is dat wel de grootste uitdaging in onze tijd: het herwinnen van een basisvertrouwen op grond waarvan men weer kan geloven dat het niet alléén maar crisis is.

Dit essay verscheen in nrc.next op 18 november 2008