Evert Jan Ouweneel

Ooit dacht president Bush de democratie te kunnen vestigen in Irak. Dat dacht hij nog meer toen hij geen massavernietigingswapens vond in Irak. Maar ook al daarvoor ging Bush ervan uit dat Irak na Saddam Hoessein een oase van democratische vrijheid zou kunnen worden. En zou Irak eenmaal zijn gevallen voor de vrijheid, dan zou de rest van het Midden-Oosten vanzelf een keer volgen, was zijn verwachting.

Het liep, zoals bekend, heel anders. De Irakezen hebben weinig van hun nieuwe vrijheid kunnen genieten sinds de val van de dictator in 2003. Irak is weggezakt in een bloedige burgeroorlog, etnische en religieuze minderheden worden vervolgd, en wat een bevrijdingsleger had moeten zijn wordt door velen als een bezettingsleger opgevat.

Een dramatische misrekening. Wat zag Bush over het hoofd? In ieder geval hield hij geen rekening met de condities waaraan een democratie sinds lang moet beantwoorden om gezond en stabiel te zijn. Daarom drie lessen voor presidenten met een democratiseringsdrang, ontleend aan drie steden waar ooit een democratie ontstond: Athene, Washington en Berlijn.

1. Athene: amateur-democratie
In de vierde eeuw voor Christus werd Athene geleid door een Volksvergadering van 5 à 6000 man. Was je een autochtone man van 18 jaar of ouder, dan mocht je meevergaderen. Was je boven de 30, dan kon je bovendien door loting worden geselecteerd voor de Raad van Vijfhonderd, het dagelijks bestuur. Ook kon je worden aangewezen als jurylid van de Volksrechtbank. Maar niemand zat langer dan één jaar in een bestuursorgaan; en voorzitter van het dagelijks bestuur was je niet langer dan één dag.

Voordeel: weinig ruimte voor vriendjespolitiek of despotisme. Want behalve de militaire leiders werden alle bestuurders aangewezen door het lot, iedere bestuurder werd gecontroleerd door de Volksvergadering, en voor je goed en wel aan het besturen was moest je alweer stoppen. Bovendien kon je voor tien jaar worden verbannen, wanneer men meende dat je een gevaar vormde voor de democratie.

Nadeel: Atheense bestuurders waren te kort aan de macht om echt bedreven te raken in het vak. En omdat er zoveel burgers mochten meepraten, kwam het dikwijls aan op charisma en retoriek. Vooral burgers van arme en eenvoudige komaf waren hier ontvankelijk voor. Aristocraten, die van huis uit het politieke spel en de overredingskunst hadden meegekregen, wisten de macht naar zich toe te trekken. Andere burgers (vooral degenen met een koopmansachtergrond) waren eveneens bespraakt en wisten op hun beurt de arme boeren tegen de rijke aristocraten uit te spelen. Politieke schandalen en valse aanklachten werden ingezet om aan macht en rijkdom te winnen. Gelijk krijgen was vaak belangrijker dan gelijk hebben. En gelijk kregen dikwijls niet de gematigde en verbindende politici, maar de radicale en polariserende politici.

Wat kan een Amerikaanse president met democratiseringsdrang hiervan leren? Dat democratisch bestuur een bepaalde vaardigheid en weerbaarheid vereist. Teveel onervaren burgers in een democratie versterkt de positie van aristocraten, stamhoofden, geestelijk leiders en rijke kooplieden, omdat deze vertrouwd zijn met macht en geoefend zijn in retoriek. Ook maakt een overmaat aan onervarenheid de democratie tot een vrijplaats van populisten en demagogen. Een gezonde democratie vereist een brede debatcultuur waarin burgers zélf nadenken over politieke kwesties, mee kúnnen praten en mee mógen praten, en nooit het algemeen belang uit het oog verliezen.

Irak heeft nooit zo’n debatcultuur gekend, laat staan een brede. Van de Turkse Ottomanen, die 400 jaar over Irak regeerden, tot en met Saddam Hussein bepaalde de sunnitische minderheid het beleid en had de sji’itische meerderheid zich daarnaar te voegen. En ook onder de sunnieten was er nauwelijks ruimte voor debat, want eerst was een sultan, toen een koning en toen een dictator de baas.

2. Washington: red-jezelf-democratie
Toen de Verenigde Staten op 4 juli 1776 uit de Britse monarchie stapten en hun eigen democratie vestigden, hadden zij weinig te maken met machtige adel en kerkleiders. Die waren in Europa gebleven. Degenen die in Amerika aankwamen stonden er alleen voor en leerden daarom hun kinderen: ‘Red jezelf. Het leven is hard, maar door hard werken kun je er wat van maken. Verwacht geen hulp van anderen en geef niet te snel anderen de schuld als het tegenzit. Jij bent verantwoordelijk voor jouw leven’. Dat is de Amerikaanse levenshouding geworden, en wat aan materiële zekerheid ontbreekt wordt met religiositeit gecompenseerd.

Voordeel: Amerikanen kunnen een hoop tegenslagen verwerken zonder dat meteen het gevaar dreigt van een burgeroorlog of revolutie. Ze verwachten weinig van de overheid en geven elkaar veel ruimte omdat ze zijn ingesteld op zelfredzaamheid. Hebben mensen toch hulp nodig, dan zorgen Amerikanen vooral zélf voor elkaar, met name in kerkverband.

Nadeel: als Amerikaanse burgers elkaar niet helpen, doet de overheid vaak ook niets en kunnen mensen volkomen aan hun lot worden overgelaten.

Wat kan een Amerikaanse president van zijn eigen land opsteken? Dat een stabiele democratie een zekere zelfredzaamheid van haar burgers vraagt. Niet zoveel zelfredzaamheid dat sommige zwakken hiervan de dupe worden (voegen wij Europeanen graag toe), maar wel zoveel dat de meeste burgers ook zónder sterke overheid voor zichzelf en elkaar kunnen zorgen.

In het Joegoslavië van Tito en het Irak van Saddam Hussein werden de vele etnische en religieuze partijen bijeengehouden door een dictator. Toen echter Tito in 1980 overleed en Hussein in 2003 werd afgezet, moesten burgers ineens zelfredzaam worden en lós van een sterke leider zien samen te leven. Dat bleek ontzettend moeilijk. De oorlogen in het Joegoslavië van de jaren negentig en de huidige burgeroorlog in Irak maakt dit schrijnend duidelijk.

3. Berlijn: niets-te-verliezen-democratie
Tussen 1918 tot 1933 kende Duitsland een kortstondige democratie, genoemd naar de stad waarin het werd opgericht: de Weimarrepubliek. De geschiedenis van deze democratie is één groot drama. Duitsland ging vanaf 1918 zwaar gebukt onder de schadeclaims van na de Eerste Wereldoorlog en kreeg te maken met oud-soldaten die als knokploegen doorvochten, opstanden van radicaal links en rechts, een Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied, een loodzware economische crisis, en een inflatie die papier waardevoller maakte dan geld. Het Duitse volk had weinig te verliezen en was ontvankelijk geworden voor extreme oplossingen. In 1933 bracht de democratie zichzelf ten grave met de vrije verkiezing van Adolf Hitler tot Rijkskanselier.

Wat valt hiervan te leren? Dat een democratie alleen gezond en stabiel functioneert wanneer voldoende mensen het goed genoeg hebben. Mensen die een uitzichtloos bestaan leiden, staan open voor communisme, fascisme, nazisme of religieus extremisme. Amerika besefte dit na de Tweede Wereldoorlog en pompte ruim 12 miljard dollar in het geruïneerde Europa. Oók in Duitsland.
Maar wat gebeurde er in Irak: van 1990 tot 2003 werd dit land met name door Amerika zulke zware sancties opgelegd dat een groot deel van de bevolking, met name de onderdrukte sji’itische meerderheid, sterk verarmde. Velen kwamen in een erbarmelijke en uitzichtloze situatie terecht door gebrek aan medicijnen, drinkwater, voedsel, onderwijs en economische ontwikkeling. Ze waren rijp voor de revolutie, maar de dictator hield ze in het gareel. Toen bedacht Amerika het plan de dictator te verdrijven. Ineens moest Irak het lichtend voorbeeld van democratische vrijheid voor de regio worden. Ineens werd van de Irakezen verwacht dat zij even gematigd zouden denken en stemmen als de welvarende westerling. Maar wat kan men verwachten van een uitgemergeld volk?
Een gezonde en stabiele democratie vereist niet alleen voldoende zelfdenkende en zelfredzame burgers, maar ook voldoende mensen met een stabiel huisje-boompje-beestje bestaan. Een groep mensen dus, die geen baat heeft bij opstanden en revoluties, maar bij een gematigde overheid die hun goede leventje succesvol beschermt tegen kwade uitwassen en invloeden.

Dit essay verscheen in nrc.next op 12 augustus 2008.