Evert Jan Ouweneel

De wereld kampt met een voedselcrisis: door de groei van de wereldbevolking en door toenemende welvaart in India en China neemt de vraag naar voedsel zo snel toe, dat de productie het niet meer bij kan houden. Voedsel wordt schaarser en dus stijgen de prijzen. De armen van deze wereld zijn daar de dupe van: steeds meer mensen hebben onvoldoende geld om voldoende te eten. Josette Sheeran, hoofd van het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties, waarschuwde eerder dit jaar voor ‘een nieuw tijdperk van honger’ in ontwikkelingslanden.

Honger is niet alleen fysiek ellendig maar ook vernederend. Precies dat wat veel mensen trots laat zijn op zichzelf of hun cultuur – innovatieve producten, imponerende architectuur, excellente kunst en wetenschap, superieure sportprestaties of succesvol ondernemerschap –, precies dat valt weg wanneer mensen al hun tijd en energie moeten steken in het vullen van hun eigen maag.

Wie de bekende beschavingen uit de geschiedenis op een rijtje zet, ziet steeds hetzelfde patroon: eerst agrarische prestaties (een sterke toename van de voedselproductie), dan culturele prestaties. Kijk naar de piramiden van de Egyptenaren en de Maya’s, of naar het terracottaleger van de eerste Chinese keizer, en je weet: daar moet voedsel in overvloed zijn geweest, want de vele arbeiders die eraan werkten konden niet tegelijk hun eigen eten produceren.

Hier een paar feiten om bij de huidige voedselcrisis in het achterhoofd te houden.

Zonder boer geen beschaving
Weinig stedelingen zullen er bij stilstaan, maar nog altijd geldt: alles wat de niet-boeren presteren in onze samenleving, kunnen zij presteren dankzij het feit dat de boeren hun van voedsel voorzien. Hoe meer onze samenleving dus gevuld is met loodgieters, dichters, ambtenaren en ICT-ers, hoe succesvoller de boeren kennelijk zijn. (Hetzelfde kan gezegd worden van de vissers.)

Ooit leefde men op aarde van jagen en verzamelen, maar dat leverde onvoldoende voedsel op voor een beschaving. In vier gebieden op aarde zien wij eerst de landbouw opkomen en daarna een beschaving: in het Midden-Oosten, in Oost-Azië en in Midden- en Zuid-Amerika.

Landbouw bedrijven bleek al snel een kwetsbare aangelegenheid. Vanwege de vaste nederzettingen leefde men in de buurt van het eigen afval, wat de kans op ziekten vergrootte. Bovendien konden de graanakkers ten prooi vallen aan virussen, insecten, droogte, hagel en overstromingen. Allemaal factoren die men niet in de hand had. Dit vergrootte de macht van de religieuze leiders, die de gunst van de goden probeerden te verwerven. Tegelijk werden de volle graanschuren steeds vaker doelwit van plunderaars, wat weer de professionele strijder deed ontstaan.

In de eerste beschaving, die van Mesopotamië (het huidige Irak), gebruikten de priesters vanaf 3500 voor Christus het voedsel van de boeren om de tempeldienst steeds verder uit te breiden en te verfraaien. Zij waren de eersten die zo de handel en nijverheid stimuleerden. Maar geleidelijk aan ontstond er ook los van de tempeldienst een economie en werd de markt steeds drukker bezocht. Naarmate de boeren meer voedsel overhielden, konden zij zelf van alles ruilen. De vraag nam toe en steeds meer mensen konden zich steeds meer bezighouden met weven, bakken, timmeren, besturen, genezen, vechten, enzovoort. Dat leverde nieuwe en betere producten op, wat weer de ruilhandel stimuleerde. De markt werd groter en geleidelijk groeide de nederzetting uit tot knooppunt in een regionaal web van handelsbetrekkingen. In het Midden-Oosten liep dat web van de Nijl tot aan de Indus. En natuurlijk, hoe meer kostbaarheden op één plaats, hoe groter de aantrekkingskracht hiervan op plunderaars. De belangrijkste knooppunten in het handelsweb werden steden met hoge muren, waarbij de macht van de strijders toenam ten koste van de priesters.

Aan de culturele prestaties in het oude Midden-Oosten ligt duidelijk een agrarisch succes ten grondslag. Hetzelfde geldt voor de prestaties van de Chinezen en de Maya’s. Ook noord-west Europa, dat dunbevolkte en drassige gebied tussen de Loire en de Elbe, begon pas aan zijn grote opmars in de geschiedenis nadat het rond 1000 na Christus in een lappendeken van graanvelden was veranderd.

Zonder moderne beschaving geen moderne boer
En wat te denken van de Industriële Revolutie in het achttiende eeuwse Engeland: die was er zonder agrarische revolutie nooit gekomen. Door nieuwe gewassen uit Amerika (maïs, aardappels) en nieuwe landbouwmethoden namen de opbrengsten sterk toe, waardoor ook de bevolking kon blijven groeien. En doordat de bevolking groeide en genoeg te eten had, nam de vraag naar allerlei producten toe. En daardoor groeide weer de behoefte aan snellere en grootschaliger productie (industrialisatie).

Maar het omgekeerde was ook het geval: de Industriële Revolutie leidde tot een nieuwe agrarische revolutie. Want toen ook de landbouw industrialiseerde en de tractor ten tonele verscheen, steeg de voedselproductie opnieuw spectaculair. Een klein aantal boeren kon voortaan een hele natie voeden. Een groot aantal mensen moest op zoek naar ander werk en vond deze in de nieuwe industrie. Steden werden uit de grond gestampt, gevuld met arbeiders die niet tegelijk hun eigen eten kunnen produceren. Landbouwsamenlevingen veranderden geleidelijk in industriële samenlevingen.

Zo geldt dus niet alleen: zonder boer geen beschaving, maar ook: zonder moderne beschaving geen moderne boer. Want die paar boeren die momenteel de hele natie moeten voeden, kunnen dat alleen door gebruik te maken van hoogontwikkelde landbouwmethoden.

Dubbele beschavingscrisis
Maar er gebeurde nog iets anders: door de komst van stoomschepen en later motorschepen kon voedsel steeds gemakkelijker worden verhandeld op de wereldmarkt. De voedselindustrie globaliseerde, met grote gevolgen voor veel ontwikkelingslanden. Zij constateerden dat het goedkoper was om het industrieel geproduceerde (en vaak gesubsidieerde) voedsel uit Europa, Amerika en Azië te importeren, dan in de eigen landbouw te investeren. Dus werd er niet naar een agrarische revolutie gestreefd, maar werd – mét instemming van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank – de landbouw in veel ontwikkelingslanden juist verwaarloosd.

Precies dat beleid wreekt zich in de huidige voedselcrisis: de voedselprijzen op de wereldmarkt stijgen en juist de armen, die veelal in de ontwikkelingslanden wonen, zijn zwaar afhankelijk van deze wereldmarkt. In feite is hun voedselcrisis nu een dubbele beschavingscrisis: vanwege het voedseltekort komen zij niet tot ontwikkeling, en vanwege hun achterstand in ontwikkeling overwinnen zij niet het voedseltekort.

De afgelopen decennia werd er, aangemoedigd door het IMF en de Wereldbank, vooral ingezet op goede infrastructuur en goed onderwijs. Dat is nog steeds cruciaal, want volgens Donald Kaberuka, hoofd van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, gaat 40 procent van Afrika’s landbouwproductie verloren door slechte infrastructuur, zoals slechte wegen en slechte opslagplaatsen. En eerder dit jaar zei een Britse landbouwexpert tegen NRC-correspondent Koert Lindijer: “Een groene revolutie in Afrika kan niet van de grond komen zonder goede wegen en een goed opgeleide bevolking.”

Maar de voedselcrisis maakt duidelijk dat het probleem niet alleen een achterstand in ontwikkeling is. Er moet ook worden ingezet op dat wat ontwikkeling al sinds duizenden jaren mógelijk maakt, namelijk landbouw. Landen als Brazilië, Thailand, Vietnam, India en China hebben inmiddels flink geïnvesteerd in de agrarische sector en zijn nu zelfs grote voedselexporteurs. Maar met name de Afrikaanse ontwikkelingslanden hebben nog een flinke inhaalslag te maken.

Wellicht helpt het wanneer hun lokale voedselmarkt enigermate wordt afgeschermd van de wereldmarkt, zodat de lokale landbouw kan ontluiken. Maar het is voor bestuurders van ontwikkelingslanden ook een kwestie van prioriteit: de korte termijn oplossing van goedkope voedselimport of de lange termijn oplossing van eigen landbouw. En zo groot en machtig is die wereldmarkt nu ook weer niet: zeventig tot tachtig procent van het basisvoedsel wordt nog altijd voor de lokale markt geproduceerd. Deskundigen zijn ervan overtuigd dat ontwikkelingslanden met goed beleid hun eigen bevolking kunnen voeden.

Hoe voorspoedig of moeizaam dit proces ook zal verlopen, het lijkt erop dat ook de ontwikkelingslanden niet ontkomen aan de oeroude regel die al voor de eerste beschavingen gold: zonder boer geen cultuur om trots op te zijn.

Dit essay verscheen in nrc.next op 2 september 2008.