Evert Jan Ouweneel

Wie de geschiedenis erop naslaat, kan tot de merkwaardige conclusie komen dat wij inmiddels precies het omgekeerde argument gebruiken om de democratie te verdedigen dan 200 jaar geleden.

Ooit zei men: ieder mens beschikt over hetzelfde vermogen om tot de waarheid te komen, dus niemand mag de ander iets opleggen. Nu zeggen we: ieder mens kampt met hetzelfde ónvermogen om tot de waarheid te komen, dus niemand mag de ander iets opleggen. Geruisloos zijn wij het tegendeel gaan aanvoeren ter verdediging van de democratie, en het werkt nog ook.

Of toch niet? Waarop berust nog ons idee van gelijkwaardigheid, nu we zo goed zijn geworden in het relativeren van de menselijke vermogens? Hier een paar waarnemingen om op te kauwen.

Gelijk vermogen
In het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) staat: “Alle mensen zijn vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren”. Waarop baseren wij deze gelijkheid?

Vanouds wordt zij verbonden met het gelijke vermogen van alle mensen om zélf te bepalen wat waar, goed en mooi is en zélf daarvoor te kiezen. Deze vrijheid is zo wezenlijk voor de mens, zo wordt vanouds gesteld, dat het een ‘misdaad tegen de menselijkheid’ is om haar iemand te onthouden. Het is het recht én de waardigheid van ieder mens, dat hij of zij zélf tot inzicht komt en zélf keuzes maakt.

Zo’n gulle uitspraak , geldend voor alle mensen, vereist een nogal abstracte manier van denken. Wil je alle mensen evenveel waardigheid toedichten, dan moet je even niet letten op alle verschillen tussen die mensen: verschillen in prestaties, karakter, vermogens en vaardigheden. Je moet mensen dan even reduceren tot exemplaren van één en dezelfde waardige soort.

In de 19de en begin 20ste eeuw had men in Europa grote moeite met deze abstracte manier van kijken. Nietzsche zag in het gelijkwaardigheidsdenken slechts een aanleiding tot middelmatigheid en kuddegedrag. Nationalisten en racisten zagen de aarde bedekt met superieure en inferieure volken. En Hitler deed daar nog een nazistische schep bovenop.

Pas toen Europa in twee verwoestende wereldoorlogen de bittere smaak van racisme en grootheidswaan had geproefd, omarmde het de gedachte dat alle mensen gelijkwaardig zijn, ongeacht hun ras, religie of cultuur. Maar dat was nog maar net gezegd, of het democratische denken werd alweer opgeschud door iets anders: steeds meer Europeanen omarmden de gedachte dat iedere bepaling van het Ware, Schone en Goede maar betrekkelijk is. Dat gaf de democratie een heel andere bestemming: waar zij vroeger vooral de ruimte moest beschermen van groepen die opkwamen voor hun eigen Grote Waarheid, moest zij nu vooral de ruimte van de onwetendheid gaan beschermen.

Gelijk onvermogen
In de 19de eeuw was een aantal Europeanen zich ook al bewust van de betrekkelijkheid van onze overtuigingen, maar dat leidde lang niet altijd tot een nieuwe behoefte aan democratie. Zo plaatste Nietzsche tegenover het gebrek aan objectieve waarheid de “wil tot macht”, als zijnde de wil van de mens om radicaal en koste wat het kost in overeenstemming met de eigen overtuigingen te leven. Gelijk hebben betekende hier: gelijk krijgen door gepassioneerd en nietsontziend de eigen waarden en waarheid uit te leven.

Opnieuw kreeg Europa pas na twee wereldoorlogen werkelijk door, hoe verwoestend een dergelijk denken kan zijn. Wil een samenleving niet aan onderling geweld ten onder gaan, dan dient niet alleen het ‘recht van de sterkte’ maar ook het ‘recht van de zwakte’ te worden erkend. Hetgeen in dit verband betekent, dat niet alleen op het gelijke vermogen van de mens, maar ook op het gelijke ónvermogen van de mens een democratie kan worden gebouwd.

Er viel echter nog wel een les te leren: ook het ‘recht van de zwakte’ kan aanleiding geven tot geweld en onderdrukking. Marx zag in industriële samenlevingen het liefst een “dictatuur van het proletariaat” ontstaan, als opmaat tot een samenleving waarin de tegenstelling tussen de haves en de have-nots is opgeheven. Zoals Nietzsche vond dat de sterken gelijk dienen te krijgen, zo vond Marx dat de zwakken gelijk dienen te krijgen.

Inmiddels heeft zowel het nazistisch als het communistisch geweld ons doen inzien, dat het ‘recht van de sterkte’ en het ‘recht van de zwakte’ niet tegen elkaar moeten worden uitgespeeld. Een gezonde democratie dient beide te beschermen: zwakheid en kracht. Niemand weet alles wat er te weten valt, dus ieder mens moet beschermd worden tegen de zelfoverschatting en opdringerigheid van anderen. En niemand heeft alles gepresteerd wat er te presteren valt, dus ieder mens moet óók beschermd worden tegen de middelmatigheid van anderen: gelijkwaardigheid mag niet betekenen dat niemand meer in prestaties en beloning boven de ander uit kan stijgen. Omgekeerd mag individuele superioriteit nooit ten koste gaan van ieders gelijke waardigheid.

Gelijkwaardigheid
Maar wat is er eigenlijk nog van de menselijke gelijkwaardigheid overgebleven? Twee eeuwen lang hebben wetenschappers en filosofen het menselijke denkvermogen gerelativeerd. Wat mensen vinden, zo werd gesteld, hangt af van hun portemonnee, jeugd, genen, hormonen, taal, cultuur, oftewel: van zo ongeveer alles behalve een onafhankelijk oordeelsvermogen. Maar als de mens zo’n speelbal is van de omstandigheden, waar zullen we de menselijke waardigheid dan nog op baseren?

Vroeger verbonden wij de waardigheid met een duidelijke inhoud: we gingen ervan uit dat de ene Waarheid door ieder mens kan worden bevestigd óf ontkend. Er stond dus iets op het spel. Inmiddels vinden wij het gevaarlijk om van De Waarheid te spreken en moedigen wij elkaar alleen nog aan om ‘iets te vinden’ en op basis daarvan te kiezen. Maakt niet uit wat je vindt – binnen de grenzen van de wet – als je het maar zélf vindt en op basis daarvan zélf keuzes maakt. Iedere discussie kan in onze tijd dan ook met één kort zinnetje effectief om zeep geholpen worden: je hoeft maar te zeggen ‘zo voel ik dat’ en niemand heeft nog wat ertegenin te brengen.

Maar laat een dier zijn gedrag niet ook bepalen door wat wel en niet ‘goed voelt’? Wat is nog het verschil tussen mensen en dieren op het gebied van waardigheid en rechten?

Natuurlijk zullen we niet ontkennen dat mensen over het algemeen een stuk intelligenter zijn dan dieren. De waardigheid en rechten van de mens zijn nog altijd exclusief; varkens komen de Tweede Kamer niet in. Maar de menselijke intelligentie is tegelijk beperkt; mensen en dieren kampen voor een deel met hetzélfde onvermogen. Kan dat besef niet ergens worden meegewogen in onze democratie?

Misschien kunnen we dit zeggen: ‘Mensen én dieren behoren de ruimte te krijgen om het leven op eigen wijze gestalte te geven; want als niemand De Waarheid in pacht heeft, mag niemand bepalen hoe de ander (mens én dier) te leven heeft’.

Daarmee zijn we er natuurlijk nog niet, want de leefruimte van de mug zullen wij heel wat minder willen beschermen dan de leefruimte van het paard. Maar het gaat om een denkrichting: als wij ménsen willen beschermen tegen de zelfoverschatting en opdringerigheid van anderen, waarom dan niet ook dieren? Onze democratie kan deze bescherming bieden. Niet door dieren stemrecht te geven, maar wel door dieren grondwettelijk een bepaalde ‘scharrelruimte’ te garanderen. Dat gaat dus verder dan een verbod op dierenleed. Het is niet alleen de erkenning dat dieren geen dingen zijn, maar ook de erkenning dat dieren dynamische wezens zijn die net als mensen een eigen ruimte nodig hebben om zich op authentieke wijze uit te leven.

Zo’n erkenning gaat allerminst ten koste van de menselijke waardigheid. Integendeel, zij wordt er alleen maar door bevestigd. Want het is juist op básis van ons superieure denkvermogen dat wij kunnen erkennen dat mensen en dieren in belangrijke mate lotgenoten zijn.

Dit essay verscheen in nrc.next op 28 oktober 2008.