Evert Jan Ouweneel

Verbaasd en soms verbijsterd kijken wij westerlingen naar de snelheid waarmee China zich weet op te werken tot grootste economie ter wereld. Toch is het verbazingwekkender dat China de afgelopen eeuwen niet de grootste was. Ruim 1000 jaar, vanaf de Tang-dynastie tot 1750, drukte China zijn stempel op de wereldhandel. De tegenslag die daarop volgde duurde ‘slechts’ 200 jaar. Even konden Europa, Amerika en Japan het roer overnemen. Maar nóg even en de economische wereldorde is weer als vanouds.

China is al vele eeuwen het land van de grote getallen. Wat China ook doet, het is altijd reusachtig en maakt altijd indruk. Gaat het goed, dan verbluffend goed. Gaat het fout, dan verbijsterend fout. En soms beide tegelijk. Hier een paar intrigerende feiten uit de Chinese geschiedenis op een rijtje. De Chinezen zijn zich zeer van deze feiten bewust. Wie dus het huidige China wil begrijpen, zal deze feiten moeten kennen.

Dure daadkracht
Alleen al de eerste keizer, Qin, liet in de tweede eeuw voor Christus een indrukwekkend staaltje Chinese daadkracht zien. Tijdens zijn bewind tijd bouwde hij zowel een graf met ruim 8000 levensgrote terracottafiguren als het eerste deel van de duizenden kilometers lange Chinese Muur. Het eerste bouwde hij voor zichzelf, het laatste om de nomaden uit het noorden tegen te houden. Het resultaat is in beide gevallen imposant, maar de prijs die Qin ervoor betaalde is ronduit weerzinwekkend. De duizenden handwerkslieden die aan het graf hadden meegebouwd, kwamen allen in datzelfde graf terecht. En volgens sommige schattingen kostte de Muur van Qin aan 1 miljoen mensen het leven.

Na een terugval van ruim tweehonderd jaar is de Chinese daadkracht weer helemaal terug. En nog altijd geldt: hou het personeelsbeleid van de Chinezen in de gaten. Al is het vandaag de dag lang niet zo erg als in de tijd van keizer Qin, nog altijd vormen de boeren en handarbeiders een kwetsbare groep die gemakkelijk ten prooi kan vallen aan uitbuiting en dwangarbeid.

Maar de Chinese bevolking is minder volgzaam dan het misschien lijkt. Zo moest de zoon van Qin het al na 4 jaar afleggen tegen de vele rellen in het rijk. Ook latere dynastieën vielen door opstanden. De huidige leiders zijn gewaarschuwd.

Vanouds voorop
Chinezen zijn een zelfbewust volk. Ze weten dat ze met velen zijn en kennen de kracht die daarin schuilt.

Tweehonderd jaar geleden was eenderde van de wereldbevolking Chinees (nu is dat eenvijfde). Tweeduizend jaar geleden telde China evenveel inwoners als het Romeinse Rijk: 50 miljoen. Rond het jaar 1000 was dit aantal verdubbeld en rond 1800 verzesvoudigd.

Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar? Thee drinken heeft de Chinezen beslist een handje geholpen; het koken van water voorkomt een hoop darminfecties. Ook de grootschalige aanleg van rijstvelden in het zuiden van China bevorderde de bevolkingsgroei. Een andere positieve invloed op de gezondheid was wellicht de wasbare katoenen kleding.

In stabiele tijden benutten veel Chinezen hun gezondheid, geletterdheid en voedseloverschot om te streven naar economische welvaart of culturele creativiteit. En als miljoenen Chinezen zoiets doen, staat ook de techniek niet stil: vele eeuwen voor de Europeanen waren de Chinezen al vertrouwd met papier, inkt, porselein, vuurwerk, buskruit, kanonnen, vlammenwerpers, klokken, kruiwagens, kompas en boekdrukkunst. De Chinese vlijtigheid leverde ook reusachtige steden op. Al in 750 telde de toenmalige hoofdstad Chang’an (het huidige Xi’an en ooit het beginpunt van de zijderoute) 1 miljoen inwoners.

De omvangrijke bevolking zorgde in stabiele tijden voor enorme belastinginkomsten die onder meer werden besteed aan prestigieuze projecten. Zo voer de Chinese admiraal Zheng He in de vijftiende eeuw met schepen die 6 tot 10 keer groter waren dan die van Columbus. En terwijl Columbus bij zijn grootste expeditie in 1493 over 17 schepen en ongeveer 1500 man beschikte, voer Zheng He in 1405 met 317 schepen en ongeveer 27.000 man op zee. In totaal voer Zheng He zo’n 50.000 kilometer langs de zuidkust van Azië, tot aan Oost-Afrika. Doel van zijn expedities was de grootheid van de Chinese keizer te demonstreren aan de volken.

Een dergelijke hang naar prestige is ook het huidige bewind niet vreemd. De Chinezen nemen zeker geen genoegen met hun huidige positie als werkplaats van de wereld. Ze willen de wereld opnieuw verbluffen. Hun neiging hiertoe is bijna natuurlijk: ze doen het al 22 eeuwen.

Demografische achilleshiel
Maar China is vanwege zijn massaliteit ook een wánkele reus. Zo nam de bevolking vanaf 1800 zó snel toe, dat China te maken kreeg met honger en vele opstanden. De grootste en bloedigste (misschien wel in de hele wereldgeschiedenis) was de Taiping opstand (1850-1865). Tijdens deze opstand riep Hong Xiuquan als jongere “broer van Jezus” het Hemelse Koninkrijk van de Grote Vrede uit. Miljoenen sloten zich bij de sekte aan en de Qing-dynastie stortte bijna in. Ten koste van 20 tot 30 miljoen doden bleef de dynastie ten slotte overeind. Geen wonder dus, dat de huidige autoriteiten zo bang zijn voor een spirituele miljoenenbeweging als Falun Gong. Vanaf 1999 wordt het als “gevaarlijke sekte” hard aangepakt.

Het huidige bewind is doodsbenauwd voor chaos en verval, een angst die niet alleen geworteld is in de geschiedenis, maar ook voortdurend wordt gevoed door de tienduizenden grote en kleine opstanden die zich jaarlijks in China voordoen. Met groot machtsvertoon worden deze de kop ingedrukt. Zo ook de recente opstand in Tibet. Want wat klein begint, kan in China al snel een miljoenenbeweging worden. En een opstand in de ene plaats kan al snel overslaan op een andere plaats.

Momenteel probeert het Chinese bewind door economische groei de sociale onrust in toom te houden. China is dus de gevangene van zijn eigen daadkracht. Het dilemma is daarbij, dat ook de groei tot onvrede leidt doordat China internationaal concurreert met maximale werkdagen en minimale lonen. En de werkloosheid zal de komende jaren alleen maar toenemen. Tel daar de toenemende onvrede onder de bevolking over de corrupte ambtenaren bij op, en er is een reële kans op nog meer onrust.

Eigenwijs of wereldwijs
Hoe eigengereid kan de Chinese regering haar eigen problemen aanpakken? De laatste twee dynastieën, die van de Ming en de Qing, hadden eeuwenlang een zelfgenoegzame houding tegenover de buitenwereld aangenomen. Men constateerde dat de wereld China weinig te bieden had en dat China zich vooral tégen de buitenwereld te beschermen had. Na al die eeuwen sinds keizer Qin vielen nomadische stammen namelijk nog altijd het noorden van China binnen. Dus kreeg de Chinese Muur een opknapbeurt en vierde het conservatisme hoogtij.

Het conservatisme bleek zó sterk, dat iedere poging tot modernisering in de negentiende eeuw mislukte. Het keizerrijk werd een achterlijk rijk dat geen weerwoord had op de binnenlandse onlusten en de overmacht van de Engelsen en later de Japanners. Bloedige oorlogen volgden, en de maatregelen van de nationalistische Kwomintang en later de communistische Mao Zedong eisten alleen maar meer slachtoffers.

Pas met Deng Xiaoping braken betere en stabielere tijden aan. De Chinezen kregen hun economische speelruimte terug. Politiek bleef de zaak echter centralistisch en totalitair, waardoor ook de macht en corruptiegevoeligheid van de ambtenaren groot bleef. En dus rijst de vraag: eigenwijs of wereldwijs zijn? Want hoe betweterig kan een land zijn dat zo afhankelijk is van de wereldhandel als het huidige China? Hoe corrupt kan een land zijn dat zo hard moet groeien als China? En hoe totalitair kan een land zijn dat zo innovatief wil zijn als China?

China gaat spannende tijden tegemoet. Vooralsnog hopen veel Chinese activisten niet op een revolutie, maar op het zelfcorrigerend vermogen van het huidige bewind. We zullen zien. De oude reus kan zowel verbluffen als verbijsteren, zo leert de geschiedenis.

Dit essay verscheen in nrc.next op 15 juli 2008.