Evert Jan Ouweneel

Na de dood van Mohammed in 632 was iedereen het erover eens dat er geen nieuwe profeet meer nodig was. Maar er ontstond een tragische verdeeldheid over zijn politieke opvolging. De kwestie groeide uit tot hét splijtpunt van de Islam. De moslims raakten verdeeld in twee kampen, sunnieten en shi'ieten, die nog altijd een bittere strijd met elkaar kunnen voeren.
Onlangs nog werd deze strijd in Libanon gevoeld, waar de shi'itische Hezbollah hevige gevechten leverde met sunnitische aanhangers van de regering. Hezbollah wordt gesteund door het shi'itische Iran, de sunnitische premier Siniora wordt gesteund door sunnitische landen als Egypte en Saudi-Arabië.

Nog sterker werd de strijd in Irak gevoeld, waar Saddam Hoessein als sunnitisch dictator tot voor kort een land regeerde met een shi'itische meerderheid. Met de val van Hoessein keerde het tij voor de shi'ieten. Maar na de sunnitische vernietiging van een shi'itisch heiligdom in 2006 (de Gouden Moskee van Samarra op de foto hierboven) zakte Irak weg in een bodemloze put van geweld.

Hoe ging het ooit mis? Een paar feiten op een rijtje. Wie het Midden-Oosten wil begrijpen, zal ze moeten kennen.

Wat wilde de profeet?
Het draait allemaal om Ali, neef en schoonzoon van Mohammed. Niet hij maar Aboe Bakr, de schoonvader van Mohammed, werd de eerste opvolger (kalief). De sunnieten hebben daar vrede mee, de shi'ieten niet. Zij zijn ervan overtuigd dat Ali de eerste kalief had moeten zijn. Hun naam is dan ook afgeleid van sji’at Ali, wat ‘partij van Ali’ betekent. Tien tot vijftien procent van de huidige moslims behoort tot deze groep.

Ali was zeer teleurgesteld toen hij hoorde dat hij gepasseerd was voor het kalifaat. Mohammed had geen zonen meer en zijn enige twee kleinzonen, Hassan en Hoessein, behoorden tot het gezin van Ali en Mohammeds dochter Fatima. Ali ging er van uit dat hij en zijn zonen het ‘koninklijk huis’ vormden dat het politieke leiderschap zou voortzetten.

Maar degenen die tijdens de vergadering Aboe Bakr als eerste kalief aanwezen, deden wat onder Arabische bedoeïenen gebruikelijk was: zij kozen hun nieuwe leider in stamverband, uit de stam van de Koeraisjieten. Maar waarom was Ali niet bij die vergadering aanwezig? Volgens de shi'ieten was dat om te voorkomen dat hij het kalifaat zou opeisen. Zij verwijzen daarbij naar diverse uitspraken van de profeet waarin hij Ali lijkt aan te wijzen als zijn opvolger. Maar de sunnieten lezen deze uitspraken heel anders. En volgens hen was Ali alleen afwezig op de vergadering omdat hij samen met Fatima het lichaam van de profeet verzorgde.

Wat bedoelde de profeet?
Volgens de shi'ieten kon Ali onder meer aanspraak maken op het kalifaat vanwege een uitspraak die Mohammed enkele maanden voor zijn dood zou hebben gedaan. Tijdens zijn bedevaartsreis naar Mecca, bij Ghadi Khumm, zou hij hebben gezegd: “Voor wie ik een mawla ben, is Ali een mawla.”

Zelden gaf een uitspraak zoveel aanleiding tot onderlinge strijd. Want wat is een mawla? Het woord heeft vele betekenissen in het Arabisch. Volgens de sunnieten wilde Mohammed alleen maar zeggen dat ieder die de profeet als vriend heeft, ook Ali als vriend heeft (of zou moeten hebben). Dit zou zijn antwoord zijn op enkele soldaten die zich ten onrechte over hun bevelhebber Ali beklaagden.

De shi'ieten leggen de uitspraak heel anders uit. Volgens hen had de profeet het over zichzelf en Ali als meester en bedoelde hij te zeggen: ieder die de profeet als meester heeft, heeft ook Ali als meester. Daarmee wordt de uitspraak ineens een afkondiging van de troonopvolger.

Maar wat bedoelde de profeet?

Burgeroorlog
Nog een heikel punt: omdat de opvolger van Mohammed in stamverband werd gekozen, was er ruimte voor een machtsstrijd binnen de stam, namelijk tussen de Hasjemieten-clan en de Omajjaden-clan.

Toen de tweede kalief Oemar in 644 door een niet-moslim werd vermoord, spande het erom wie de derde kalief zou worden: Ali of Oethman. Met minimaal verschil won Oethman, maar terwijl Ali net als Mohammed tot de Hasjemieten-clan behoorde, kwam Oethman uit de machtige Omajjaden-clan. Oethman werd ervan beschuldigd de macht alleen onder zijn clangenoten te verdelen en de oude strijd laaide op.

De strijd werd zo hevig, dat Oethman in 656 in zijn eigen huis werd vermoord. Ali werd gekozen tot vierde kalief, maar ditmaal beschuldigden de Omajjaden Ali ervan de moordenaars van Oethman te beschermen. Er brak een burgeroorlog uit en in de Slag van de Kameel (656) zag Ali zelfs Mohammeds vrouw Aïsja tegenover zich staan. Ali won de slag, maar moest het daarna opnemen tegen Moe’awija, de machtige generaal en gouverneur van het inmiddels islamitische Syrië. Deze bloedverwant van Oethman weigerde het kalifaat van Ali te erkennen en liet zich in Damascus tot nieuwe kalief uitroepen. In de daaropvolgende strijd delfde het huis van de profeet het onderspit: in 661 werd Ali gedood, in 669 zijn oudste zoon Hassan en in 680 Hoessein. De dood van Hoessein wordt nog altijd jaarlijks door de shi'ieten herdacht. Soms op dramatische wijze wanneer mannen zichzelf tot bloedens toe kastijden (overigens tegen de wil van de leiders in).

Sunnitische kaliefen
Na de dood van Ali werd Moe’awija algemeen als kalief erkend. Ali had Hassan tot opvolger benoemd, maar die moest na zeven maanden aftreden en werd later vergiftigd. De shi'ieten haten Moe’awija, niet alleen omdat hij Ali en Hassan het kalifaat ontnam, maar ook omdat hij zijn zoon Yazid als opvolger aanwees. In 680 trok Hoessein tegen Yazid ten strijde om aan deze Omajjaden-dynastie een einde te maken, maar hij werd gedood. Alle nazaten van de profeet waren nu uitgeschakeld; het tijdperk van de Omajjaden was begonnen. Tot 750 regeerden zij vanuit Damascus over een rijk dat zich uiteindelijk uitstrekte van Pakistan tot Spanje.

Maar toen was het opnieuw de beurt aan de Hasjemieten. In de persoon van Abbas, een nakomeling van een oom van Mohammed, namen zij het roer over. Deze Abbasiden stichtten de stad Bagdad en regeerden van daaruit over het Islamitische Rijk, totdat het in 1258 door de Mongolen werd vernietigd. Enkele familieleden van de kalief wisten te ontkomen naar Egypte en regeerden daar als ‘Cairo-kaliefen’.

In 1517 werden de band tussen het kalifaat en de stam van Mohammed definitief verbroken toen de laatste Cairo-kalief werd afgezet door de Turkse Ottomanen. Voortaan gold alleen de Ottomaanse sultan als opvolger van de profeet, een situatie die voortduurde tot 1924. Sindsdien moeten de moslims het stellen zonder kalief.

Shi'itische imams
De shi'ieten zijn bepaald niet rouwig om het einde van dit kalifaat. Van de genoemde kaliefen erkennen zij er maar drie: Ali, Hassan en Hoessein. De meeste sjiieten (85%) voegen daar nog negen nazaten van Hoessein aan toe. Twaalf opvolgers dus; vandaar dat deze stroming wordt aangeduid als de Twaalvers. De laatste opvolger wordt Al-Mahdi genoemd, ‘de door God geleide’. De Twaalvers geloven dat deze Mahdi zich sinds de negende eeuw verborgen houdt en eens zal verschijnen om vrede en gerechtigheid te brengen op aarde.

Ali en zijn nazaten zijn voor de Twaalvers volmaakte rolmodellen, zowel in politiek als spiritueel opzicht. De twaalf opvolgers zijn dus niet alleen gezaghebbend als politiek leider (kalief), maar ook als geestelijk leider (imam). Dit is nog altijd het leiderschapsideaal voor de Twaalvers: politiek en geestelijk gezag in één persoon.

We stuiten hier op een tweede verschilpunt tussen sunnieten en shi'ieten. Voor sunnieten is de imam simpelweg degene die voorgaat in het gebed (of breder: de voorganger van een moskeegemeenschap), Sunnieten kennen dan ook vele imams, want er wordt op vele plaatsen gebeden. Bovendien is een goede imam voor hen nog geen goede politicus; dus laten zij het politieke leiderschap doorgaans aan anderen over. De shi'ieten geloven daarentegen dat er maar één de politiek én geestelijk leider kan zijn, de kalief en imam in één persoon, aangezien dit een exclusieve en uitverkoren positie is.

Iran en Libanon
Over twee zaken zijn de moslims dus al veertien eeuwen hopeloos verdeeld: het kalifaat en de status van de imam. Omdat de shi’ieten sterk in de minderheid zijn, werden zij dikwijls achtergesteld en onderdrukt. Omgekeerd hadden de soennieten regelmatig te maken met shi’itische opstanden, veroveringen en aanslagen. Zo regeerden shi’ieten van de tiende tot de twaalfde eeuw over heel Noord-Afrika en pleegde de shi’itische sekte van de Assassijnen in de twaalfde eeuw allerlei aanslagen op soennitische leiders.

Ook in onze tijd worden diverse zaken in het Midden Oosten begrijpelijker wanneer men let op de oude verschillen tussen shi’ieten en soennieten. Denk bijvoorbeeld aan het soennitische Turkije, waar een scherpe scheiding geldt van moskee en staat, of aan het soennitische Egypte, waar politieke partijen op religieuze grondslag verboden zijn. Dit garandeert nog geen godsdienstvrijheid, zo blijkt, maar vergelijk deze landen eens met het shi’itische Iran, waar sinds 1979 de hoogste geestelijk leider (ayatollah) ook de hoogste politiek leider is.

In Iran is maar liefst 90% van de moslims shi’itisch. Na de Islamitische Revolutie van 1979 werd het Twaalver sjiisme opnieuw staatsreligie (net als ten tijde van de Safawiden in de zestiende en zeventiende eeuw). Door sommigen werd de eerste ayatollah, Khomeini, zelfs voor de Mahdi aangezien. Khomeini ontkende dit, maar noemde zich wel de wegbereider van de Twaalfde. Ook de huidige Iraanse president Ahmadinejad gelooft heilig in de komst van de Mahdi. In 2005 sloot hij zijn toespraak voor de Verenigde Naties af met een gebed om de komst van “de beloofde, de volmaakte en zuivere mens, die deze wereld zal vullen met vrede en gerechtigheid”.

In Libanon is eenderde van de bevolking shi’itisch, maar door de gewapende aanwezigheid van Hezbollah hebben de shi’ieten veel macht. In 1982 werd Hezbollah opgericht door de geestelijk leider Hassan Nasrallah. Het nam de ideologie van Khomeini over en probeerde een islamitische revolutie te ontketenen. Tegelijk probeerde het Israël uit zuid Libanon te verdrijven. Inmiddels is de eerste doelstelling losgelaten, maar Hezbollah strijdt nog altijd tegen Israël en drukt nog altijd een zwaar stempel op het land, met steun van Iran en Syrië.

Irak
In Irak is zo’n tweederde van de moslims shi’itisch. Volgens de overlevering liggen vier van de twaalf shi’itische imams in Irak begraven: Ali in Najaf, Hoessein in Karbala en de tiende en elfde imam in de Gouden Moskee van Samarra. In de laatste plaats zou ook de Mahdi zijn verdwenen. Veel shi’itische heiligdommen dus in Irak. Maar na de soennitische Ottomanen, die lange tijd over Irak regeerden, bleven ook de Britse overheersers met de soennieten zaken doen. Zo behield de minderheid haar machtspositie en kon ook de soenniet Saddam Hoessein de touwtjes in handen krijgen. Vanaf 1979 voerde hij een agressief beleid om zijn eigen achterban, de shi’ieten en de Koerden onder de duim te houden. Ook Iran vormde voor hem een bedreiging, doordat Khomeini de Iraakse shi’ieten probeerde aan te zetten tot een revolutie. Een bloedige oorlog volgde (1980-1988), zonder enig voordeel voor beide landen.

Na de val van Hoessein in 2003 moest Irak een democratie worden waarin Koerden, shi’ieten en soennieten vreedzaam zouden samenleven. Maar de vrede bleef uit. Sinds de soennitische vernietiging van de Gouden Moskee in 2006 verkeert Irak in een burgeroorlog. In 2007 sprak de Amerikaanse Senaat zich daarom uit voor een opdeling van Irak in drie semi-autonome gebieden: voor Koerden, shi’ieten en soennieten. Maar alleen de Koerden steunen dit voorstel. Voor de soennieten zou het betekenen dat zij zonder havens en olie komen te zitten. En Arabische landen zijn bang dat een zelfstandig shi’itisch gebied al gauw een verlengstuk wordt van Iran.

Het gaat maar door. Steeds weer worden er nieuwe episoden toegevoegd aan een conflict dat zich al veertien eeuwen voortsleept. Er lijkt inderdaad een volmaakte leider voor nodig om deze strijd voorgoed te beëindigen.

Een ingekorte versie van dit essay verscheen in nrc.next op 29 juli 2008